<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:4807</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-03T12:24:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-000574-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:4807">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:4807</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-03T12:19:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:4807 Gerechtshof Amsterdam , 11-12-2019 / 23-000574-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:4807:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>wederspannigheid</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:4807:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>afdeling strafrecht</para>
    <para>parketnummer: 23-000574-19 </para>
    <para>datum uitspraak: 11 december 2019 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van </para>
    <para>de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-009957-19 tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1967, </para>
    <para>
      [adres]
    </para>
    <para>zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van </para>
      <para>27 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het </para>
      <para>Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman  naar voren heeft gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Omvang van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter heeft de verdachte bij voormeld vonnis vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde opzetheling en hem veroordeeld voor de onder 2 ten laste gelegde wederspannigheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 12 februari 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Blijkens de akte instellen hoger beroep heeft de verdachte beperkt hoger beroep ingesteld en richt het hoger beroep zich uitsluitend tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.<?linebreak?>hij, op of omstreeks 13 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam en/of [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, </para>
      <para>door zijn armen (met kracht) te onttrekken uit de handen van voornoemde ambtena(a)r(en). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof aan de hand van het in hoger beroep gevoerde verweer tot een andere bewijsconstructie komt dan de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bespreking van het gevoerde verweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft bepleit dat de aanhouding van de verdachte op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden en de politieambtenaren zodoende niet handelden in hun rechtmatige bediening, aangezien uit het proces-verbaal aanhouding blijkt dat de verdachte is aangehouden op grond van </para>
      <para>heling en er geen redelijke verdenking jegens de verdachte op grond van diefstal of heling aanwezig was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwerpt dit verweer en baseert zich daarbij op het door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 13 januari 2019. Het hof gaat uit van de juistheid van de inhoud van dit proces-verbaal, nu het geen redenen heeft daaraan te twijfelen. In dit proces-verbaal wordt het navolgende gerelateerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 13 januari 2019 zagen verbalisanten de verdachte eerst verschillende trams in en uit stappen zonder dat de verdachte was ingecheckt. Hiermee overtrad hij artikel 70 van de Wet Personenvervoer 2000 (zwartrijden). Vervolgens stapte de verdachte bij het Leidseplein in Amsterdam uit, alwaar de verdachte naar een andere tramhalte van het Leidseplein liep en ging wachten. Na enkele minuten kwam tram 5 aanrijden en halteerde op de tramhalte waar de verdachte stond. Toen de deur van de tram sloot wilde </para>
      <para>de verdachte alsnog instappen. Hierbij trok hij de sluitende deur weer open. De verdachte bleef in de deuropening staan en vroeg alsnog de weg aan een medereiziger. De deur sloot daarop opnieuw. De verdachte stond tussen de deur en trok deze weer open. De tram bleef zo ruim een minuut staan en kon niet vertrekken. Dit deed de verdachte tot vier keer toe. De tram kon niet vertrekken. Hierna stapte de verdachte uit en rende naar de voordeur en tikte op het raam van de bestuurder. Deze opende de deur en de verdachte ging weer in de deuropening staan. Ook hier trachtte de bestuurder de deur te sluiten maar de verdachte hield hem weer open. Na enkele seconden lukte het de bestuurder de deur toch te sluiten. Door dit gedrag verstoorde de verdachte de rust, veiligheid en de goede bedrijfsgang van het openbaar vervoer. Hij overtrad hiermee artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000. De verdachte is vervolgens op grond van overtreding van de artikelen 70 en 72 van de Wet personenvervoer 2000 aangehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van het hof bestond, gelet op de feiten en omstandigheden, ten aanzien van de verdachte ten tijde van de aanhouding een redelijk vermoeden van schuld zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering betreffende overtredingen van de Wet personenvervoer 2000. Het hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatige aanhouding en verbalisanten derhalve handelden in hun rechtmatige bediening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, </para>
      <para>met dien verstande dat: </para>
      <para>
        <?linebreak?>hij, op 13 januari 2019 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam en [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, door zijn armen met kracht te onttrekken uit de handen van voornoemde ambtenaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewijsmiddelen </title>
    <para />
    <para>1. Een proces-verbaal met nummer 2019008974-3 van 13 januari 2019, in de wettelijke vorm </para>
    <para>opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 5-9).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 13 januari 2019 bevonden verbalisanten zich in burger gekleed en met speciale actie belast, in de binnenstad van Amsterdam.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          [verdachte] is aangehouden op grond van de artikelen 70 en 72 van de Wet personenvervoer 2000. Tijdens de aanhouding, pleegde [verdachte] verzet. Wij, [verbalisant 1] en  [verbalisant 2], legitimeerde onszelf aan [verdachte] en deelde hem mede in de Engelse taal dat hij was aangehouden. Hierop wilden wij hem boeien. Wij bemerkten dat [verdachte] zijn armen onttrok en met kracht uit onze handen trok. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Een proces-verbaal met nummer 2019008974-3 van 13 januari 2019, in de wettelijke vorm </para>
    <para>opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (los opgenomen).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik [verbalisant 1], pakte tijdens de aanhouding de rechterarm van [verdachte] vast. Ik [verbalisant 2], pakte de linkerarm van [verdachte] vast. Hiermee trachtte wij controle uit te oefenen op de handen van [verdachte]. Wij bemerkte echter allebei dat [verdachte] zijn armen met geringe kracht terug trok in tegenovergestelde richting van waar wij trachtte heen te brengen, namelijk naar zijn rug om hem vervolgens te boeien. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Strafbaarheid van het bewezen verklaarde</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">wederspannigheid.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Strafbaarheid van de verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Oplegging van straf</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verzet tijdens zijn aanhouding. Dergelijk gedrag is ernstig, niet alleen omdat hiermee het werk van de politie wordt bemoeilijkt, maar ook omdat de desbetreffende ambtenaar erdoor in zijn gezag wordt aangetast. Bovendien getuigt dergelijk gedrag jegens politieambtenaren in functie van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 november 2019 waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf kan – nu de verdachte niet langer in Nederland verblijft en gelet op de ernst van het feit – niet worden volstaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 180 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">14 (veertien) dagen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>=========================================================================</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>