<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:269</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-08T10:00:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.244.733/01 GDW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:269">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:269</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-06T09:34:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:269 Gerechtshof Amsterdam , 05-02-2019 / 200.244.733/01 GDW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:269:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. De kamer heeft het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer, waarbij de klacht van klager als kennelijk niet-ontvankelijk was afgewezen, ongegrond verklaard. Nu niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, is er geen reden om van het in artikel 39 lid 4 Gdw opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken. Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:269:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beslissing   </para>
    <para>___________________________________________________________________ _ _</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer	: 200.244.733/01 GDW</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>nummer eerste aanleg	: C/13/635420 DW RK 17/919</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 5 februari 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam],</para>
      <para>wonend te [plaats],</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam],</para>
      <para>toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats],</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. [naam].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant (hierna: klager) heeft op 23 augustus 2018 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing op verzet van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 14 augustus 2018. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 5 september 2017, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk niet-ontvankelijk was afgewezen, ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De gerechtsdeurwaarder heeft op 5 oktober 2018 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Van klager is op 30 oktober 2018 een aanvullende productie ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De zaak is, waar het betreft de ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2018. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Stukken van het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Klager heeft bij brief met bijlagen, ingekomen op 22 december 2016, bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd, dat bij de kamer is ingekomen op 20 januari 2017. De voorzitter heeft bij beslissing van 5 september 2017 de klacht als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen. </para>
        <para>Tegen die beslissing heeft klager bij brief, ingekomen op 8 september 2017, verzet ingesteld bij de kamer. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 3 juli 2018. </para>
        <para>Vervolgens heeft de kamer bij de bestreden beslissing het verzet ongegrond verklaard. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Artikel 39 lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden afgeweken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Klager stelt in zijn beroepschrift dat de kamer bij de totstandkoming van de beslissing een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. Ter zitting in hoger beroep heeft klager dit standpunt gehandhaafd. Klager heeft niet onderbouwd, waarin die schending heeft bestaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De gerechtsdeurwaarder is van mening dat er geen gronden zijn voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting nog door klager is aangevoerd niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, zodat er geen reden is om van het in artikel 39 lid 4 Gdw opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing op verzet van de kamer van 14 augustus 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019 door de rolraadsheer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>