<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:1539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-16T11:51:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-000359-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1539">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1539</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-16T11:43:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:1539 Gerechtshof Amsterdam , 18-02-2019 / 23-000359-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1539:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.23 van de Wet Milieubeheer. Afvalstoffen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1539:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>afdeling strafrecht</para>
    <para>parketnummer: 23-000359-18 </para>
    <para>datum uitspraak: 18 februari 2019 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>VERSTEK </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 96-224384-17 en 96-202255-15 (TUL) en 96-229859-15 (TUL) tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1976, </para>
    <para>adres: [adres].</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij, op of omstreeks 4 december 2016, te Amsterdam, op/aan/in het Flevopark, zijnde een locatie gelegen buiten een daarvoor door het college van burgemeester en wethouders bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, (een) afvalstof(fen), stof(en) en/of voorwerp(en), te weten (stok)broden heeft gestort en/of gehouden en/of achtergelaten en/of anderszins heeft geplaatst en/of op of in de bodem heeft gebracht, op een wijze die aanleiding kon geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar voornoemde broden in het water en/of op de grond gegooid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op 4 december 2016, te Amsterdam, in het Flevopark, zijnde een locatie gelegen buiten een daarvoor door het college van burgemeester en wethouders bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, afvalstoffen, te weten (stok)broden op of in de bodem heeft gebracht, op een wijze die aanleiding kon geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu, immers heeft hij toen aldaar die broden in het water en op de grond gegooid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.23 van de Wet Milieubeheer. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Strafbaarheid van de verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Oplegging van straf</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De economische politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250, subsidiair 5 dagen hechtenis indien deze geldboete niet wordt voldaan, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als is opgelegd in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft (stok)broden weggegooid buiten plekken die daarvoor bestemd zijn, te weten op de grond en in het water in de publieke ruimte. Aldus heeft de verdachte de omgeving vervuild. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 januari 2019 is hij eerder ter zake van dit soort milieuvervuilende of -belastende feiten onherroepelijk veroordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Het hof zal de geldboete geheel voorwaardelijk opleggen, enerzijds als stok achter de deur en anderzijds om tegemoet te komen aan de beperkte financiële draagkracht van de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14h, 14i, 14j, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.23 van de Wet milieubeheer en de artikelen 16 en 22 van de Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 96-202255-15) </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 december 2015 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 90 subsidiair 1 dag hechtenis. Op basis van de in het dossier aanwezige stukken moet worden geconstateerd dat de oproeping voor de behandeling van de vordering tenuitvoerlegging in eerste aanleg niet op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgehad, immers is de akte van uitreiking behorende bij de oproeping niet aantoonbaar betekend. Het hof zal de oproeping ter zake van de vordering tenuitvoerlegging in eerste aanleg nietig verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer 96-229859-15) </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2016 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 150 subsidiair 3 dagen hechtenis. Op basis van de in het dossier aanwezige stukken moet worden geconstateerd dat de oproeping voor de behandeling van de vordering tenuitvoerlegging in eerste aanleg niet op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgehad, immers is de akte van uitreiking behorende bij de oproeping niet aantoonbaar betekend. Het hof zal de oproeping ter zake van de vordering tenuitvoerlegging in eerste aanleg nietig verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 21 december 2016 onder CJIB nummer 4132542002813129.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro)</emphasis>, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door <emphasis role="bold">5 (vijf) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de oproeping ter zake van de vordering tenuitvoerlegging in eerste aanleg met parketnummer 96-202255-15 nietig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de oproeping ter zake van de vordering tenuitvoerlegging in eerste aanleg met parketnummer 96-229859-15 nietig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. R.P. den Otter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
      <para>=========================================================================</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>