<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:152</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-24T09:32:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-000833-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:152">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:152</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-24T09:17:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:152 Gerechtshof Amsterdam , 16-01-2019 / 23-000833-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:152:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mishandeling van slachtoffer door hem met scherp voorwerp in het gezicht te steken. Geslaagd beroep op noodweer. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:152:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>afdeling strafrecht</para>
    <para>parketnummer: 23-000833-18 </para>
    <para>datum uitspraak: 16 januari 2019 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het </para>
    <para>vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-260836-17 tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], </para>
    <para>adres: [adres].</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van </para>
      <para>12 december 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het </para>
      <para>Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de in eerste aanleg door de politierechter toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">primair</emphasis>:<?linebreak?>hij op of omstreeks 30 december 2017 te Haarlem, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een kraspen, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of de buik, althans het lichaam, heeft gestoken en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis>:<?linebreak?>hij op of omstreeks 30 december 2017 te Haarlem, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een kraspen, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of de buik, althans het lichaam, en/of op/tegen/in de hand te steken en/of te slaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring </para>
      <para>en tot een andere beslissing komt dan de politierechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vrijspraak van het primair ten laste gelegde</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij -naar de kern- aangevoerd dat het door de verdachte gehanteerde </para>
      <para>‘mes’ een soort prikpen/spijker/priem betreft, waarbij het in vergelijking met een balpen (fotobijlage </para>
      <para>bij het proces-verbaal van bevindingen van 31 december 2017, opgemaakt door [ambtenaar 1]) gaat om een prikpunt van hooguit 1 tot 2 centimeter, dit in tegenstelling tot hetgeen de aangever en [getuige 1] hebben verklaard. Als daarmee in de richting van de buik wordt geprikt, kan niet worden geoordeeld </para>
      <para>dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard zwaar lichamelijk letsel toe </para>
      <para>te brengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is in aansluiting op hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht van oordeel dat reeds </para>
      <para>gelet op het gehanteerde voorwerp niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft gepoogd opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hetgeen primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis> ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op 30 december 2017 te Haarlem [slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een scherp voorwerp in het gezicht te steken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan </para>
      <para>worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Strafbaarheid van het bewezen verklaarde</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw primair gesteld dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel, subsidiair, uit noodweerexces, zodat hij moet worden vrijgesproken dan wel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier naar voren komt dat de aangever verhaal gaat halen bij de verdachte of, zoals de aangever heeft verklaard, dat zij actie gingen ondernemen. Aangekomen bij [locatie] (hierna: [locatie]) begint de aangever een gevecht </para>
      <para>met de verdachte, waarbij de aangever zich bedient van een stuk hout. Vervolgens bedient de verdachte </para>
      <para>zich van een priem/prikpen. [getuige 1] verklaart duidelijk dat de aangever zich van een stuk hout </para>
      <para>heeft bediend en de verdachte daarmee wilde aanvallen, waarna deze het mes zou hebben gepakt, </para>
      <para>aldus [getuige 1]. Op het moment dat de verdachte wordt aangevallen met een stuk hout is sprake van </para>
      <para>een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. De verdachte heeft vervolgens enkel gehandeld ter verdediging. Dit voldoet, behalve aan de proportionaliteitseis (een stuk hout van ongeveer 30 centimeter versus een priemprikpen), aan de eis van subsidiariteit aangezien uit het dossier geen alternatieven blijken. </para>
      <para>De verdachte kon en hoefde zich niet te onttrekken. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces. Als hij al te ver is gegaan, vindt dit de oorzaak in de hevige gemoedsbeweging die de aangever heeft veroorzaakt door zijn aanval met een stuk hout.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat er geen sprake was van noodweer. Hij wijst erop </para>
      <para>dat de verdachte hier zelf niks over heeft verklaard en dat het onmiddellijke gevaar geweken was op </para>
      <para>het moment dat de verdachte zich bediende van het scherpe en/of puntige voorwerp, omdat hij en de aangever op dat moment elk aan een andere kant van het steegje stonden. Met andere woorden: de verdachte bevond zich niet of niet langer in een situatie waarin hij zich heeft moeten (kunnen) verdedigen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt  -in verband met het beroep op noodweer- het navolgende. De vraag die moet worden beantwoord is of de aangever zich als eerste heeft bediend van een stuk hout en of het daarop volgende handelen van de verdachte, het hanteren van een scherp voorwerp jegens de aangever, vervolgens was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zichzelf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de aangever met het doel actie te ondernemen jegens de verdachte naar [locatie] is gegaan (proces-verbaal aangifte van 31 december 2017, opgemaakt door [ambtenaar 2]). De aangever verklaarde met de verdachte in gesprek te willen gaan. Getuige [getuige 1], die samen met de aangever en haar vriendin, de vrouw van de aangever, naar [locatie] </para>
      <para>ging, heeft verklaard dat ze wisten dat de verdachte aan het werk was en dat haar vriendin nog tegen haar man heeft gezegd dat hij rustig moest blijven als ze de verdachte zouden zien. De vrouw van de aangever heeft daarentegen verklaard dat ze niet wist dat de verdachte er zou zijn, omdat ze dacht dat hij daar niet  meer werkte. De aangever verklaarde, kort samengevat, dat hij de verdachte die voor [locatie] stond </para>
      <para>daar aanspreekt, dat de verdachte agressief reageert en de verdachte dan een mes uit zijn  rechterbroekzak haalt. Getuige [getuige 1] verklaart anders, zij zag dat de verdachte de aangever zonder iets te zeggen een vuistslag gaf, waarna de aangever gelijk in de aanval ging. Op een gegeven moment, naar uit de verklaring van [getuige 1] blijkt, staat de verdachte aan de overzijde van [locatie] en de aangever voor [locatie]. De aangever, aldus [getuige 1], heeft toen “<emphasis role="italic">een stuk hout van ongeveer 30 centimeter</emphasis>” gepakt en wilde, aldus [getuige 1], de verdachte hiermee weer aanvallen. Het zou haar gelukt zijn het stuk hout af te pakken, waarna de verdachte met een mes op de aangever afkwam (<emphasis role="italic">het hof begrijpt: een scherp voorwerp</emphasis>) en ze weer met elkaar op de vuist gingen en de verdachte meerdere keren heeft geprobeerd de aangever te steken en de aangever zich met zijn hand afweerde. Dat de aangever een stuk hout vasthad, heeft de onafhankelijke getuige [getuige 2] bevestigd (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 december 2017, opgemaakt door [ambtenaar 3]).  </para>
      <para>
        [getuige 2] verklaarde: “De jongen die mee is gegaan met de twee vrouwelijke collega’s liep met een stuk hout. De andere man gaf een soort stekende beweging richting de man met het stuk hout”. </para>
      <para>Het hof acht -nu de verklaringen overigens nogal tegenstrijdig zijn- op basis van de onafhankelijke verklaring van [getuige 2] aannemelijk dat de verdachte zich, op het moment dat hij zich bediende van een stekend voorwerp, heeft verdedigd tegen een (dreigende) aantasting van zijn eigen lijf door de aangever die  -aldus [getuige 1]- op dat moment de verdachte wilde aanvallen. De verdachte handelde derhalve op dat moment en dat is het moment waar het in de tenlastelegging over gaat, uit noodweer. De wijze waarop voldoet naar het oordeel van het hof aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het hiervoor overwogene levert het subsidiair bewezen verklaarde geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zodat het hiertoe strekkende verweer wordt gehonoreerd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde <emphasis role="underline">niet</emphasis> strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin </para>
      <para>zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M. van Amsterdam en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting </para>
      <para>van dit gerechtshof van 16 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>