<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:1336</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-15T10:48:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.253.183/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1336">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1336</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-19T11:21:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:1336 Gerechtshof Amsterdam , 16-04-2019 / 200.253.183/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1336:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident ex artikel 351 Rv tot schorsing tenuitvoerlegging. Afwijzing bij gebrek aan belang.</para>
      <para />
      <para>Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:1271.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1336:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold"> GERECHTSHOF AMSTERDAM </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 				: 200.253.183/01 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam	: 7340355 CV EXPL 18-25164</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>WTG GROEP B.V.</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. WOK TO GO AMSTERDAM B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam, </para>
      <para>appellanten in de hoofdzaak, </para>
      <para>eiseressen in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. Ch.P.A.Th. van Goethem te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. H.M. Hielkema te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna WTG c.s. - afzonderlijk: WTG Groep en Wok To Go - en [geïntimeerde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>WTG c.s. zijn bij dagvaarding van 17 januari 2019 in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder bovenstaand zaak-/rolnummer op 15 januari 2019 gewezen vonnis tussen [geïntimeerde] als eiseres en WTG c.s. als gedaagden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:</para>
    </parablock>
    <para>- memorie van grieven, tevens incidentele conclusie ex (primair) artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en (subsidiair) artikel 235 Rv, met producties; </para>
    <para>- conclusie van antwoord in het incident.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is arrest gevraagd in het incident. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>WTG c.s. hebben incidenteel gevorderd dat het hof primair de reeds aangevangen tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis (verder: het vonnis) zal schorsen voor de duur van de appelprocedure, althans subsidiair zal bepalen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis door [geïntimeerde] slechts mag worden voortgezet tegen deugdelijke zekerheidstelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij conclusie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van WTG c.s. in de kosten van dit incident, met rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. Bij het vonnis heeft de kantonrechter op vordering van [geïntimeerde] het einde van de huurovereenkomst tussen haar en WTG Groep vastgesteld per 1 september 2019. Verder heeft de kantonrechter WTG c.s. veroordeeld de door WTG op grond van die overeenkomst van [geïntimeerde] gehuurde bedrijfsruimte aan de [adres] (hierna: het gehuurde) uiterlijk op 1 september 2019 te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en om de verschuldigde huurpenningen te betalen tot aan de dag van ontruiming. WTG c.s. zijn veroordeeld in de proces- en nakosten en de veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In eerste aanleg zijn WTG c.s. wel verschenen, maar hebben zij niet (tijdig) van antwoord gediend. Hun verzoek aan de kantonrechter om een nadere termijn voor het nemen van een conclusie van antwoord te verlenen, is bij brief van 8 januari 2019 afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het hof zal de incidentele vordering, waaromtrent WTG c.s. zelf stellen dat deze zekerheidshalve is ingesteld, (in beide varianten) bij gebrek aan belang afwijzen. Tussen partijen staat immers vast dat zij na het bestreden vonnis zijn overeengekomen, zakelijk weergegeven en naar het hof begrijpt, dat [geïntimeerde] het vonnis niet ten uitvoer zal leggen totdat het hof (eind)arrest zal hebben gewezen, zulks mits WTG c.s. de bij het vonnis uitgesproken kostenveroordeling aan [geïntimeerde] zullen voldoen. WTG c.s. hebben (zelf) onweersproken gesteld dat zij dit laatste inmiddels hebben gedaan.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>WTG c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden verwezen in de proceskosten van dit incident. In dit verband merkt het hof nog op dat voor het “zekerheidshalve” instellen van dit incident geen redelijke grond bestond omdat – naar WTG c.s. zelf hebben gesteld – de advocaat van [geïntimeerde] hun toen reeds had meegedeeld dat de door de deurwaarder bij exploot van 18 januari 2019 gedane aanzegging van de ontruiming op een vergissing berustte en, zakelijk, dat er hangende het hoger beroep niet zou worden ontruimd.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde] .</para>
        <para>3. <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>wijst de vordering af;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verwijst de zaak naar de rol van 28 mei 2019 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde] ;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit,  J.C.W. Rang en J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>