<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:1310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-05T10:21:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-003970-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1310">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-05T10:18:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:1310 Gerechtshof Amsterdam , 16-04-2019 / 23-003970-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1310:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>witwassen. Bevestiging van vonnis m.d.v. bespreking bewijsverweer. Bewijsverweer wordt verworpen. Taakstraf van 120 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 60 dagen hechtenis, en verbeurdverklaring van geldbedrag</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1310:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>afdeling strafrecht</para>
    <para>parketnummer: 23-003970-17 </para>
    <para>datum uitspraak: 16 april 2019 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 november 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-195597-17 tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1966, </para>
    <para>adres: [adres].</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde bewijsverweer zal bespreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bespreking van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde bewijsverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte in ieder geval partieel moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde bedrag van 10.000 euro. De verdachte heeft een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van dit (deel van het) in de auto aangetroffen geldbedrag. Uit twee leningsovereenkomsten blijkt dat de verdachte van zowel [naam 1] als [naam 2], twee respectabele ondernemers, 5.000 euro heeft geleend en hetgeen zij hebben verklaard bij de raadsheer-commissaris bevestigt de verklaring van de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zowel [naam 1] als [naam 2] heeft tijdens zijn getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij een geldbedrag van 5.000 euro aan de verdachte heeft uitgeleend. Ook hebben beide getuigen verklaard dat zij daartoe <emphasis role="italic">zelf </emphasis>een leningsovereenkomst hadden opgesteld aan de hand van een voorbeeld dat zij van het internet hadden afgehaald. [naam 2] heeft voorts verklaard dat hij [naam 1] niet kent. Hoewel de verklaringen van deze getuigen stroken met de verklaring van de verdachte, hecht het hof aan deze verklaringen – en daarmee aan die van de verdachte – geen waarde. Het hof acht het namelijk niet geloofwaardig dat twee personen die elkaar niet zouden kennen een vrijwel identieke overeenkomst opstellen, inclusief spelfouten. Daar komt bij dat de handtekeningen onder beide overeenkomsten van beweerdelijk de verdachte aanzienlijk van elkaar verschillen. Deze omstandigheden wijzen erop dat de overeenkomsten achteraf en door een en dezelfde persoon zijn opgemaakt én dat de getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] met datzelfde doel en in strijd met de waarheid naderhand op elkaar zijn afgestemd. Om die redenen stelt het hof deze getuigenverklaringen als ongeloofwaardig terzijde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte voor het gehele ten laste gelegde bedrag van 13.900 euro geen verklaring heeft afgelegd die de aanwijzingen dat er sprake is van witwassen, ontzenuwt. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer van de raadsman wordt verworpen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. N.A. Schimmel en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>=========================================================================</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>