<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:1263</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T00:15:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/00530</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:1200" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/verwijzing" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2018:1200</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/1072</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/32.28.6</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/1143</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-1304</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019050805</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1263">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1263</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-06T16:31:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:1263 Gerechtshof Amsterdam , 12-03-2019 / 18/00530</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1263:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Na verwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1200) bereiken partijen bij het Hof een compromis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1263:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF AMSTERDAM</title>
    <para>kenmerk 18/00530</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>12 maart 2019 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tweede meervoudige belastingkamer</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>proces-verbaal </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [X] te [Z], belanghebbende, </title>
    <para>(gemachtigde mr. H.J.J. Oostdam te Alphen aan den Rijn)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de uitspraak van 11 november 2014 in de zaak met kenmerk SGR 14/3489 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen </para>
      <para>mrs. J.J.M. Snieders en M.L. Scholte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para>- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;</para>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
    <para>- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.423 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 839, met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente; </para>
    <para>- handhaaft de beschikking revisierente; </para>
    <para>- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.304; en</para>
    <para>- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 45 (beroep bij de rechtbank) en € 122 (hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag), in totaal € 167 te vergoeden.</para>
    <bridgehead role="bold">Gronden</bridgehead>
    <para />
    <para>1. Bij arrest van 13 juli 2018, nr. 17/00698 (ECLI:NL:HR:2018:1200) heeft de Hoge Raad de zaak naar het Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest (hierna: het verwijzingsarrest). </para>
    <para />
    <para>2. Na verwijzing staat – anders dan partijen aanvankelijk meenden – de beslissing van de Hoge Raad om de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie niet ter beoordeling van het Hof. Het Hof kan in de onderhavige verwijzingsprocedure evenmin oordelen over de bij beschikking in rekening gebrachte revisierente, aangezien deze beschikking inmiddels (na de procedure in cassatie) onherroepelijk vaststaat (zie r.o. 2.5 van het verwijzingsarrest).</para>
    <para />
    <para>3. Na verwijzing zijn partijen het erover eens geworden dat de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen dient te worden verminderd, zoals hiervoor is beslist. Om die reden is het beroep gegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>4. Bij die stand van zaken twisten partijen over de hoogte van de aan belanghebbende te vergoeden kosten ter zake van door een derde verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. </para>
    <para />
    <para>5. Partijen hebben dienaangaande ter zitting (met inachtneming van de bijlage bij het Besluit) overeenstemming bereikt over de per fase in aanmerking te nemen proceshandelingen en wegingsfactor, en wel als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroep:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2 punten (indienen beroepschrift [1] en verschijnen ter zitting [1]) x € 512 x 1,5 = € 1.536</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoger beroep (gerechtshof Den Haag):</emphasis>
      </para>
      <para>3,5 punten (indienen hoger beroepschrift [1], verschijnen ter zitting [1], tweemaal schriftelijke inlichtingen [1 punt in totaal] en nadere zitting [0,5]) x € 512 x 1,5 = € 2.688</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoger beroep na verwijzing:</emphasis>
      </para>
      <para>1,5 punt (schriftelijke inlichtingen [0,5] en verschijnen ter zitting [1]) x € 512 x 0,5 = € 384</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het totaal aan te vergoeden kosten bedraagt € 4.608. Omdat deze zaak samenhangt met de zaak met nummer 18/00529 – daar zijn partijen het ook over eens – bedragen de aan belanghebbende te vergoeden kosten € 2.304 (€ 4.608/2).   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge uitspraak is gedaan op 12 maart 2016 door mrs. H.E. Kostense, voorzitter van de belastingkamer, F.J.P.M. Haas en C.J. Hummel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH  Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden  genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    <para>2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. een dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <parablock>
      <para>Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>