<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2019:1165</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-21T15:02:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R140-19</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1165">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1165</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-21T15:00:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2019:1165 Gerechtshof Amsterdam , 04-04-2019 / R140-19</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1165:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>artikel 77dd Sr; hof gelast tul van een deel van de vw bij arrest opgelegde JD, in die zin dat ipv tul 15 dagen JD wordt gelast WS 30 uur, verder wordt gelast dat de opgelegde bijz voorwaarden komen te vervallen onder handhaving van de alg voorwaarden</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2019:1165:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">Afdeling strafrecht</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Rekestnummer: R 140-19 </para>
      <para>Parketnummer: 23-003036-17</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing op de vordering van de advocaat-generaal van 6 februari 2019, ertoe strekkende dat het hof een last tot tenuitvoerlegging zal geven van de voorwaardelijke straf, welke straf is opgelegd bij een onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 6 februari 2018, waarbij</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [veroordeelde],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,</para>
      <para>adres: [adres]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan deze voorwaardelijke jeugddetentie zijn algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. De bijzondere voorwaarden houden, kort samengevat, in dat de veroordeelde zich meldt bij de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSJb &amp;Jr), meewerkt aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding, zich houdt aan de afspraken die in dat kader worden gemaakt en meewerkt aan begeleiding dan wel behandeling door Indaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inhoud van de vordering</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 21 maart 2019 de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd arrest voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen gevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de stukken in de strafzaak onder bovenvermeld parketnummer, waaronder de adviesbrief na negatieve terugmelding van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 24 december 2018 en de negatieve terugmeldingsrapportage van de WSJb&amp;Jr van 8 november 2018 en heeft ter terechtzitting van 21 maart 2019 de advocaat-generaal, de raadsman van de veroordeelde en vertegenwoordigers van de Raad ([naam 1]), WSJr&amp;Jb ([naam 2]) en Indaad ([naam 3]) gehoord. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is tijdig ingediend door de advocaat-generaal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt vast dat de veroordeelde de hem opgelegde bijzondere voorwaarden sinds de zomer van 2018 niet meer heeft nageleefd. Uit de hiervoor vermelde rapportages van de Raad en de WSJb&amp;Jr blijkt dat afdoende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de behandeling ter terechtzitting en gelet op artikel 77dd Wetboek van Strafrecht vindt het hof termen te gelasten dat 15 dagen van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie alsnog zullen worden ten uitvoer gelegd. </para>
      <para>Het hof zal evenwel, in plaats van tenuitvoerlegging van jeugddetentie gelasten, deze jeugddetentie omzetten in een taakstraf bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van 30 (dertig) uren onbetaalde arbeid, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 15 (vijftien) dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof merkt hierbij op dat nu slechts 15 dagen van de voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer worden gelegd, de proeftijd van de overige 15 dagen voorwaardelijke jeugddetentie nog doorloopt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof ziet in het verhandelde ter terechtzitting aanleiding de eerder opgelegde bijzondere voorwaarden te doen vervallen. Het hof overweegt daartoe als volgt. De voorlopige hechtenis van de veroordeelde is op 7 september 2016 onder voorwaarden geschorst. Op 6 februari 2018 heeft het hof de veroordeelde onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie. Uit de rapportages van de Raad en de WSJb&amp;Jr blijkt dat de veroordeelde zich van september 2016 tot aan de zomer van 2018 goed aan alle gestelde voorwaarden heeft gehouden, nadien niet meer. Duidelijk is dat de veroordeelde niet langer is gemotiveerd voor de eerder opgelegde begeleiding door Indaad en de WSJb&amp;Jr. Hij wenst zelf de verantwoordelijkheid over zijn leven te nemen. Met de raadsman is het hof van oordeel dat, hoewel de veroordeelde zeker nog baat zou kunnen hebben bij begeleiding, er geen signalen zijn dat de veroordeelde thans niet in staat zou zijn zelf de verantwoordelijkheid over zijn eigen leven te nemen. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat de veroordeelde sinds september 2016 niet opnieuw met politie of justitie in aanraking is gekomen. Terzijde merkt het hof op dat de veroordeelde zijn wens tot opheffing van de bijzondere voorwaarden ook middels een daartoe strekkend verzoek had kunnen voorleggen aan het hof. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof gelast de tenuitvoerlegging van een deel van de voorwaardelijk bij voornoemd arrest opgelegde jeugddetentie, in die zin dat het hof in plaats van tenuitvoerlegging van 15 dagen jeugddetentie gelast:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>een taakstraf bestaande uit <emphasis role="bold">een werkstraf</emphasis>, te weten het verrichten van <emphasis role="bold">30 (dertig) uren onbetaalde arbeid</emphasis>, in geval van het niet naar behoren verrichten te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 15 (vijftien) dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof gelast dat de bij arrest van 6 februari 2018 opgelegde bijzondere voorwaarden komen te vervallen, onder handhaving van de algemene voorwaarden bij de resterende voorwaardelijk opgelegde straf van 15 dagen jeugddetentie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. M.J.A. Plaisier en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>=========================================================================</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      […]
    </title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      […]
    </title>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>