<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2018:863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-22T13:14:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">K16-0200</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:863">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-22T13:12:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2018:863 Gerechtshof Amsterdam , 15-03-2018 / K16-0200</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2018:863:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beklagzaak art. 12 sv. Deskundige die (mogelijk) reputatieschade lijdt is geen rechtstreeks belanghebbende bij vervolging na aangifte op grond van art. 326 en 326b Wetboek v Strafrecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2018:863:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEKLAGKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het beklag met het rekestnummer K16/0200 van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [klager]
        </emphasis>,</para>
      <para>klager,</para>
      <para>woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde:</para>
      <para>mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het beklag</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het klaagschrift is op 24 maart 2016 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen <emphasis role="bold">[beklaagde 1] en [beklaagde 2]</emphasis> (hierna: beklaagden) ter zake van het verkopen, te koop aanbieden of in voorraad hebben van valse [naam]-kunstwerken (artikel 326b Wetboek van Strafrecht, verder: Sr) en (poging tot) oplichting (artikel 326 Sr) door het te koop aanbieden van valse [naam]-kunstwerken als waren zij echt en onvervalst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het door klager ingediende klaagschrift hangt samen met door anderen en/of eerder ingediende klaagschriften in verband met dezelfde kwestie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak is, ter bewaking van de voortgang, op een aantal zogenoemde pro-formazittingen  aan de orde geweest. De zaak is meermalen aangehouden, mede op advies van de advocaat-generaal, om de resultaten te vernemen van de expertmeeting in de strafzaak tegen [verdachte]. Deze expertmeeting heeft inmiddels plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verslag van de advocaat-generaal</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verslag van 29 december 2017 (met als opschrift: Tussenverslag) heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat de behandeling in hoger beroep van de met dit beklag  samenhangende strafzaak tegen [verdachte] naar het zich laat aanzien nog geruime tijd zal duren, in verband met nog door het openbaar ministerie te vorderen nader onderzoek in die zaak. De advocaat-generaal is echter van mening dat de vraag naar de ontvankelijkheid van klager los van de ontwikkelingen in de strafzaak tegen [verdachte] kan worden beantwoord. Zij komt tot de conclusie dat klager niet als belanghebbende zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) kan worden aangemerkt, zodat hij niet-ontvankelijk is in zijn beklag en dit moet worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de op 25 januari 2018 binnengekomen schriftelijke reactie van de advocaat van klager op het verslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De ontvankelijkheid van klager</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Terwijl <emphasis role="italic">aangifte</emphasis> kan worden gedaan door ieder die kennis draagt van een strafbaar feit, is de mogelijkheid tot het doen van <emphasis role="italic">beklag</emphasis> als bedoeld in artikel 12 Sv beperkt tot rechtstreeks belanghebbenden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat worden aangemerkt als belanghebbende. Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. Bovendien moet worden beoordeeld  of de overtreden strafbepaling beoogt dit specifieke belang van klager te beschermen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 326 Sr luidt, voor zover hier van belang:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 326b Sr luidt, voor zover hier van belang:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft: </para>
      <para>hij die opzettelijk een werk van letterkunde, wetenschap, kunst of nijverheid, waarop of waarin valselijk enige naam of enig teken is geplaatst, of de echte naam of het echte teken is vervalst, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het Rijk in Europa invoert, als ware dat werk van de hand van degene wiens naam of teken daarop of daarin valselijk is aangebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beide artikelen betreffen vormen van bedrog en beschermen aldus primair het belang van (potentiële) kopers. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling van de ontvankelijkheid van klager</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel klager geen koper is, stelt hij niettemin een rechtstreeks belang bij vervolging te hebben in verband met het volgende:</para>
      <para>* hij is beëdigd taxateur, kunsthandelaar, bestuurslid van de [foundation], kenner van de werken van [naam] en (mede-)initiatiefnemer van het onderzoek naar de door beklaagden te koop aangeboden – naar zijn oordeel valse – [naam]-werken;</para>
      <para>* schade als gevolg van niet-vervolgen is onder meer reputatieschade en schade aan de integriteit van de markt in [naam]-kunstwerken, terwijl klager voor zijn inkomen afhankelijk is van een goed functionerende kunstmarkt en dus belang heeft bij de strafrechtelijke vervolging van vervalsingen. Afname van vertrouwen in kunst als belegging en investering leidt tot omzet- en inkomensdaling;</para>
      <para>* klager heeft zich steeds uitgesproken over de valsheid. Beklaagden hebben zijn deskundigheid en onpartijdigheid vaak en openlijk aangevallen en ter discussie gesteld. Zijn reputatie is beschadigd en zijn eer geschonden. Vervolging en veroordeling (met belangstelling van de pers) zou tot eerherstel kunnen leiden;</para>
      <para>* vervolging van beklaagden kan een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat afwenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit hetgeen klager naar voren heeft gebracht, noch anderszins, is aannemelijk geworden dat door de keuze van het openbaar ministerie om alleen [verdachte] te vervolgen in verband met [naam]-vervalsingen, een (gevaarlijke) verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dreigt. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het door artikel 326 en 326b Sr beschermde belang, vallen voor het overige uit hetgeen klager naar voren heeft gebracht, (in dit verband: slechts) afgeleide belangen bij strafvervolging van beklaagden te destilleren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om klager als rechtstreeks belanghebbende bij vervolging aan te merken is dit naar het oordeel van het hof onvoldoende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn beklag. Het hof zal daarom ook het door klager ingediende beklag afwijzen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof wijst het beklag af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 15 maart 2018 door mrs. M.J.G.B. Heutink, voorzitter, P.C. Kortenhorst en N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. O. Boekraad, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>