<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2018:4504</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-07T13:34:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-000619-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:4504">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:4504</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-07T13:32:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2018:4504 Gerechtshof Amsterdam , 24-10-2018 / 23-000619-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2018:4504:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bevestiging met toepassing art. 63 Sr. Bespreking ttz in hb gevoerd verweer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2018:4504:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>afdeling strafrecht</para>
    <para>parketnummer: 23-000619-18 </para>
    <para>datum uitspraak: 24 oktober 2018 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer </para>
    <para>13-085133-17 tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, </para>
    <para>adres: [adres].</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen met dien verstande dat het hof respondeert op een in hoger beroep gevoerd verweer en de bij de strafoplegging toe te passen artikelen aanvult met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte geen oogmerk had op de wederrechtelijke toe-eigening. Voor zover het hof anders oordeelt kan volgens de raadsvrouw niet worden bewezen dat sprake is van medeplegen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar de verklaring van de verdachte. Die heeft – eerst in hoger beroep – verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de bromfiets van een kennis van medeverdachte [medeverdachte 1] was, dat [medeverdachte 1] en diens kennis de bromfiets in de bus hebben geladen om deze op verzoek voor [medeverdachte 1] weg te brengen; dat de verdachte de bromfiets enkel heeft aangepakt op het moment dat hij toevallig achterin de bus was om zijn jas te pakken en dat hij, verdachte, de bromfiets vervolgens heeft vastgehouden tijdens het vervoer omdat die dreigde om te vallen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat op 8 mei 2017 bij de politie een melding – na later blijkt van getuige [getuige] – binnenkomt dat “2 of 3 jongens” een bromfiets stelen en vervoeren in een blauwe bus met kenteken </para>
      <para>
        [kenteken] en het opschrift “Drive your self”. Na het aantreffen van deze bus blijkt dat de verdachte achterin zit met de van aangever [naam] gestolen bromfiets. Medeverdachte [medeverdachte 1] is de bestuurder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer is gegrond op de stelling dat sprake is geweest van een derde persoon, de beweerdelijke eigenaar van de brommer. Die verklaring lijkt te worden ondersteund door de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1], die zelfs heeft verklaard dat er twee andere personen bij betrokken waren. Eentje daarvan zou hem gevraagd hebben de bromfiets te vervoeren omdat hij de sleutels daarvan was kwijtgeraakt. Het hof schuift deze verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig terzijde, in het bijzonder omdat hij niet de naam weet te noemen van degene wiens brommer hij zou vervoeren. Bovendien strijdt de verklaring van [medeverdachte 1], dat deze jongen het kettingslot van de brommer verwijderde, met die van aangever die verklaarde dat hij de brommer alleen met het remschijfslot op slot had gezet. De kettingsloten zaten nog in de opslagruimte van de brommer. Het hof heeft geen aanleiding aan de verklaring van aangever daaromtrent te twijfelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat in de weergave van de melding door verbalisanten wordt gesproken over “2 of 3 personen” biedt ook onvoldoende steun voor de stelling van de verdachte. Melder [getuige] is namelijk later als getuige telefonisch gehoord. In die verklaring benoemt hij slechts twee personen, die hij aan de hand van hun kleding en gedragingen heeft omschreven. [getuige] zag twee jongens die voornoemde bus op de stoep hadden geparkeerd voor het Japanse restaurant. Hij zag die jongens twee straten in- en uitlopen en door de ruit van het restaurant kijken. Vervolgens ging de zijdeur van de bus open en werd een bromfiets naar de zijdeur geduwd. Een van de jongens tilde de bromfiets de bus in, terwijl de andere hem vanuit de bus aannam. Volgens getuige [getuige], die op dat moment de politie had gebeld en het kenteken van de bus doorgaf, ging dit razendsnel. Van enig andere persoon in de nabijheid van de bus of de bromfiets heeft de getuige in zijn aanvullende verklaring met geen woord gerept. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bromfiets door slechts twee personen is weggenomen, te weten [medeverdachte 1] en de verdachte. Het verweer dat geen sprake was van oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening, omdat de verdachte meende dat de bromfiets van een vriend van [medeverdachte 1] was wordt dan ook verworpen. Verder blijkt dat het handelen van de verdachte heeft bestaan uit het gezamenlijk met [medeverdachte 1] de omgeving verkennen, de bromfiets in de bus tillen en deze vervoeren. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben dan ook een even grote rol vervuld en er is sprake van een gezamenlijke uitvoering. Medeplegen van de diefstal van de bromfiets kan daarom worden bewezen, zodat ook het dienaangaande gevoerde verweer wordt verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. N.A. Schimmel en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. O.F. Qane, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 oktober 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mrs. J. Piena en N.A. Schimmel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
      <para>
        […]
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>