<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2018:3523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-28T10:51:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.177.331/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:3523">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:3523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-28T10:50:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2018:3523 Gerechtshof Amsterdam , 02-10-2018 / 200.177.331/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2018:3523:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolg van tussenarrest 21 maart 2017. Bevel comparitie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2018:3523:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 			              : 200.177.331/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/14/154444/HA ZA 14-176 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 oktober 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Apeldoorn,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>tevens incidenteel geïntimeerde,</para>
      <para>advocaat: mr. A. Robustella te Ede,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats],</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>tevens incidenteel appellant, </para>
      <para>advocaat: mr. K.F.J. Machielsen te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna weer Achmea en [geïntimeerde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het verloop van de procedure tot aan het tussenarrest van 21 maart 2017 wordt daarnaar verwezen. </para>
      <para>Achmea heeft daarna een akte na tussenarrest, met producties, genomen, gevolgd door een antwoordakte na tussenarrest, met producties, van [geïntimeerde].</para>
      <para>Vervolgens is weer arrest gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In het tussenarrest van 21 maart 2017 is de zaak naar de rol verwijzen teneinde Achmea, gezien art. 6 lid 1 van de polisvoorwaarden, in de gelegenheid te stellen om een nieuw rapport van de arbeidsdeskundige betreffende de mate van arbeids-ongeschiktheid van [geïntimeerde] gedurende de periode van 1 september 2012 tot</para>
        <para>21 maart 2017 in het geding te brengen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Achmea heeft bij haar akte onder meer een aanvullende rapportage arbeids-deskundig onderzoek d.d. 3 mei 2017 gevoegd. [geïntimeerde] heeft in zijn antwoordakte primair een beroep gedaan op art. 3 lid 1 van de Richtlijn 93/13 EEG met volgens hem als gevolg dat art. 6 lid 1 van de polisvoorwaarden buiten toepassing moet worden gelaten en subsidiair deze aanvullende rapportage (uitvoerig) gemotiveerd weersproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het hof gelast een meervoudige comparitie van partijen voor het verkrijgen van nadere inlichtingen, overleg over aantal en namen van eventueel door het hof te benoemen deskundigen (verzekeringsarts en arbeidsdeskundige) en de aan dezen te stellen vragen en het beproeven van een schikking. Op de comparitie zullen de conclusie van het Parket bij de Hoge Raad van 6 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:788, en het binnen afzienbare tijd te verwachten arrest van de Hoge Raad in de desbetreffende zaak ter sprake worden gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het hof  waartoe een zitting zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen dag (maandag of donderdag) en tijd, tot het hiervoor onder 2.3 omschreven doel;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden op de rol hun verhinderingen op maandag en donderdag en die van hun advocaten voor de eerstkomende vier maanden kunnen opgeven, waarna het hof de dag en het tijdstip van de comparitie zal vaststellen, in welk geval behoudens klemmende redenen of overmacht geen uitstel van de comparitie meer zal worden verleend;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken vóór de dag van de comparitie nog niet in het geding gebrachte bescheiden waarop zij een beroep zouden willen doen, in kopie over zullen leggen door toezending aan (de roladministratie van) het hof en de wederpartij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.F. Aalders en </para>
      <para>J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>2 oktober 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>