<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:754</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-29T11:02:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.202.118/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:754">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:754</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-24T11:08:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:754 Gerechtshof Amsterdam , 07-03-2017 / 200.202.118/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:754:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Appel van ECLI:NL:RBAMS:2015:1787. Incidentele vordering tot nietigverklaring van door de geïntimeerde uitgebracht anticipatie-exploot c.a. afgewezen.</para>
        <para>Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:2958 en ECLI:NL:GHAMS:2019:1767.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:754:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>arrest</para>
    <para>___________________________________________________________________ _ _</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer			: 200.202.118/01 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/nummer rechtbank Amsterdam		: C/13/572040 / HA ZA 14-880</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 maart 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats] , </para>
      <para>appellant in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiser in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. J.H. van der Wouden te Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] is bij dagvaarding van 12 juli 2016 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam die op 10 december 2014, 1 april 2015 en 13 april 2016 onder bovengenoemd zaak-/rolnummer zijn gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof tegen de roldatum 20 december 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij exploot van 20 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] de roldatum die is vermeld in het exploot van dagvaarding vervroegd naar 1 november 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft de zaak op die dag laten inschrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] is op de vervroegde roldatum niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is naar de rol van 15 november 2016 verwezen om [appellant] in de gelegenheid te stellen alsnog advocaat te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op deze roldatum heeft mr. Bouter voornoemd zich voor [appellant] gesteld en om een aanhouding van twee weken verzocht voor het nemen van een akte over de ontvankelijkheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] heeft vervolgens bij incidentele conclusie, met producties, gevorderd dat het hof het exploot van 20 oktober 2016 nietig zal verklaren, althans [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen zoals vermeld in dat exploot, de hoofdzaak zal aanhouden tot op dit incident is beslist en [appellant] in de hoofdzaak een termijn zal gunnen voor het dienen van grieven, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [geïntimeerde] in de kosten van het incident.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij conclusie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, voor zover die strekt tot nietigverklaring van het anticipatie-exploot, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in haar daarin opgenomen vorderingen, en tot veroordeling van haar in de proceskosten. Voor het overige heeft [geïntimeerde] zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrest is nader bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het anticipatie-exploot dat [geïntimeerde] heeft doen uitbrengen aan meerdere gebreken leidt. Volgens [appellant] gaat het - samengevat - om de volgende gebreken. Uit het anticipatie-exploot kan niet worden afgeleid welke zaak dit betreft en bij welke instantie die aanhangig is gemaakt, aangezien daarin geen zaaknummer wordt vermeld en de door [appellant] in de appeldagvaarding aangezegde roldatum (10 december 2016) evenmin. Ook zijn er aan het exploot geen stukken gehecht waaruit dit had kunnen blijken. Daarnaast worden er in het anticipatie-exploot tegenstrijdige aanzeggingen gedaan. [geïntimeerde] zegt in punt 2 van dat exploot immers aan dat de zaak bij vervroeging zal worden aangebracht bij het hof, maar in punt 3 wordt [appellant] opgeroepen om “<emphasis role="italic">voorafgaand aan de aangezegde datum het exploit van dagvaarding ter griffie in te dienen</emphasis>”. De zaak kan wel door [geïntimeerde] worden aangebracht, maar dat moet dan gebeuren op de roldatum zoals aangezegd in het oorspronkelijke exploot. [geïntimeerde] had “<emphasis role="italic">een echt anticipatie-exploot</emphasis>” moeten uitbrengen en zelf voor de aanbrenging daarvan en van het oorspronkelijke exploot van dagvaarding moeten zorgdragen. Voor [appellant] is het onmogelijk om laatstgenoemd exploot aan te brengen tegen een door [geïntimeerde] gewenste - van de in dat exploot genoemde afwijkende - datum aan te brengen, terwijl hij juist daartoe in het gewraakte exploot wordt opgeroepen en [appellant] daaraan het ingrijpende verzoek van ontslag van instantie verbindt. Ten slotte staat in punt 4 van het anticipatie-exploot “dagvaarding” waar “roldatum” bedoeld zal zijn en wordt in punt 5 aangezegd dat peremptoir zal worden gesteld, hetgeen onder het per 1 september 2016 geldende rolreglement niet meer mogelijk is.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In artikel 126 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat gedaagde (in hoger beroep: geïntimeerde) de roldatum, vermeld in het exploot van dagvaarding, kan vervroegen door aan de eiser (in hoger beroep: appellant) bij exploot een vroegere roldatum te doen aanzeggen. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] met het exploot van 20 oktober 2016 van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en dat zij conform het bepaalde in lid 2 van dat artikel een termijn in acht heeft genomen van meer dan een week tussen de dag van de aanzegging en de aangezegde vroegere datum - hetgeen op straffe van nietigheid is vereist - en het exploot tijdig ter griffie heeft ingediend. De door [appellant] gestelde gebreken zijn geen gebreken die in artikel 126 Rv of elders in de wet met nietigheid worden bedreigd, zodat nietigverklaring in ieder geval niet aan de orde is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Aan [appellant] kan worden toegegeven dat het anticipatie-exploot, zoals ook door [geïntimeerde] wordt erkend, geen schoonheidsprijs verdient en bepaald duidelijker had gekund. Het exploot is evenwel niet zó onduidelijk dat [appellant] zich op 15 november 2016 niet alsnog in deze appelprocedure heeft kunnen stellen. Anders dan [appellant] lijkt te betogen, staat in het exploot wel dat het om een zaak gaat die door [appellant] tegen [geïntimeerde] aanhangig is gemaakt en dat het een zaak bij dit hof betreft. [appellant] heeft ook niet gesteld dat er tussen partijen meer dan één zaak loopt, laat staan dat hij nog een andere appelzaak dan de onderhavige tegen [geïntimeerde] bij dit hof aanhangig heeft gemaakt. Doordat [appellant] zich tijdig heeft gesteld, doet zich de situatie van artikel 123 lid 2 Rv niet voor en is ontslag van instantie - de sanctie waarvoor [appellant] kennelijk vreest - niet mogelijk. Voor niet-ontvankelijkverklaring is naar het oordeel van het hof, nog daargelaten of de wet daartoe in dit geval de mogelijkheid biedt, dan ook geen plaats. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Wat er verder ook zij van het anticipatie-exploot, de volgende stap is in ieder geval, ook indien het hof [appellant] zou volgen in zijn betoog dat aan dit exploot gebreken kleven en dat dat gevolgen moet hebben, dat in deze zaak - waarin [appellant] zelf de inmiddels verstreken datum van 10 december 2016 als eerst dienende dag had aangezegd - door hem van grieven moet worden gediend binnen de termijn die het hof hem zal verlenen. [appellant] heeft dus geen belang meer bij de door hem gevorderde verklaringen, zodat eveneens om die reden zijn vordering (in zoverre) moet worden afgewezen.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het hof zal [appellant] , als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak veroordelen in de kosten van dit incident. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>In de hoofdzaak zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie van grieven door [appellant] . </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering tot nietigverklaring van het anticipatie-exploot, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in de daarin geformuleerde vorderingen, af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 18 april 2017 voor het nemen van een memorie van grieven door [appellant] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>