<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:5576</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-21T10:06:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-003270-15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5576">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5576</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-21T10:05:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:5576 Gerechtshof Amsterdam , 28-02-2017 / 23-003270-15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:5576:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Profijtontneming mensenhandel. Het hof heeft overwogen dat moet worden uitgegaan van de veroordeling van de veroordeelde in de strafzaak, waarbij de rechtbank bewezen heeft geacht dat de veroordeelde geld heeft ontvangen van het slachtoffer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:5576:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 23-003270-15 </para>
      <para>datum uitspraak: 28 februari 2017 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>TEGENSPRAAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2015 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-708033-12 tegen de veroordeelde:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, </para>
      <para>adres: [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 86.688,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2013 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - mensenhandel, gepleegd in de periode van 1 januari 2012 tot en met 10 juli 2012.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 6 augustus 2015 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 86.688,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van </para>
      <para>13 mei 2016 en 14 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen voormeld vonnis is door de veroordeelde hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 93.210,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Mevrouw [naam] heeft op 23 april 2015 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2013 onrechtvaardig vindt en dat de veroordeelde nooit geld van haar heeft afgepakt. Gelet op haar verklaringen kan worden vastgesteld dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gekregen. De raadsman stelt zich subsidiair op het standpunt dat, indien aan de veroordeelde een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd, maximaal een bedrag van € 70.988,00 opgelegd kan worden. Dat is het bedrag van de vordering van het openbaar ministerie in eerste aanleg minus het in de woning van [naam] aangetroffen geldbedrag van € 15.700,00. Dit spaargeld is aan [naam] teruggegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt met betrekking tot het primair gevoerde verweer van de raadsman als volgt. </para>
      <para>In deze ontnemingszaak moet worden uitgegaan van de veroordeling van de veroordeelde in zijn strafzaak, waarbij de rechtbank bewezen heeft geacht dat de veroordeelde geld heeft ontvangen van [naam], afkomstig uit de inkomsten van haar werkzaamheden als prostituee. Dat [naam] anders heeft verklaard, maakt niet dat het onherroepelijk oordeel in de strafzaak thans, in de ontnemingszaak, ter discussie kan worden gesteld. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bij [naam] thuis aangetroffen geldbedrag van € 15.700,00 maakt kennelijk deel uit van het gedeelte dat zij van haar prostitutie-inkomsten zelf heeft gehouden. In elk geval is niet aannemelijk geworden dat het deel uitmaakt van het gedeelte dat zij aan de verdachte heeft afgedragen. Niet valt dan ook in te zien dat het op het wederrechtelijk verkregen voordeel of op de betalingsverplichting van de veroordeelde in mindering moet worden gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de kostenpost van € 6.522,00 voor de aanschaf van sigaretten niet thuishoort in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel<footnote-ref linkend="_f06c7771-f3ad-4dcb-9196-3b3425fd068d" />, omdat deze kosten geen verband houden met de gepleegde strafbare feiten. De totale kosten komen dan uit op een bedrag van € 183.024,00 - € 6.522,00 = € 176.502,00</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande wordt de berekening als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bruto opbrengst	€ 356.400,00</para>
      <para>Totale kosten	 	<emphasis role="underline">€ 176.502,00  -/-</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Netto opbrengst	€ 179.898,00</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof gaat, gelet op de inhoud van het telefoongesprek tussen [naam] en een onbekend gebleven man van 29 mei 2012 met gespreksnummer 560 op taplijn P02<footnote-ref linkend="_ff3c8d6e-1d5f-4cef-9396-404365d899a1" />, uit van een verdeling van 50-50 van de opbrengsten tussen [naam] en veroordeelde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het wederrechtelijk verkregen voordeel komt hiermee op: € 179.898,00 / 2 = <emphasis role="bold">€ 89.949,00</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verplichting tot betaling aan de Staat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 89.949,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijk wettelijk voorschrift</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 89.949,00 (negenentachtigduizend negenhonderdnegenenveertig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de veroordeelde de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 89.949,00 (negenentachtigduizend negenhonderdnegenenveertig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van </para>
      <para>28 februari 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mrs. Nuis en Römer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f06c7771-f3ad-4dcb-9196-3b3425fd068d" label="1">
    <para> Proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met nummer 2011262045, op 24 januari 2014 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1].</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff3c8d6e-1d5f-4cef-9396-404365d899a1" label="2">
    <para>Proces-verbaal bevindingen belangrijke tapgesprekken betreffende Ivanov met nummer 2011262045, op 9 juli 2012 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], doorgenummerde dossierpagina 537-538.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>