<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:5043</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-15T11:27:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-10-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R 000462-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#schadevergoedingsuitspraak">Schadevergoedingsuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5043">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5043</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-15T11:27:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:5043 Gerechtshof Amsterdam , 13-10-2017 / R 000462-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:5043:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek ex art. 89 Sv - Matiging vanwege proceshouding verzoeker</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:5043:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beschikking		</para>
    <para />
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6ab99285-4f7e-4396-96e3-5e79c1684a59" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="1aad7634-66dc-4110-8bcb-bccd80f70203" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="611fe7bf-1186-42a3-8372-5633da5568e1" depth="2" width="571" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Rekestnummer: 000462-17 (89 Sv)</para>
      <para>Parketnummer in hoger beroep: 23-003536-16</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,</para>
      <para>domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,</para>
      <para>mr. M.L. van Gaalen, [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inhoud van het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van  € 13.035,00, ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoekschrift is op 22 maart 2017 ingekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 28 juni 2017 heeft de advocaat-generaal schriftelijk geconcludeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 29 september 2017 de advocaat-generaal, verzoeker en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het arrest in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is op 31 mei 2016 in verzekering gesteld. Vervolgens is de voorlopige hechtenis van verzoeker bevolen. Verzoeker is op 9 november 2016 in vrijheid gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft in raadkamer – anders dan in zijn schriftelijke conclusie – het standpunt ingenomen dat het verzoek kan worden toegewezen vanaf het moment dat verzoeker is gaan verklaren ter terechtzitting op 7 september 2016.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn arrest HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 heeft de Hoge Raad erop gewezen dat bij het billijkheidsoordeel van de rechter omtrent het toekennen van een tegemoetkoming en bij het bepalen van de hoogte daarvan een belangrijke rol kan spelen in hoeverre de verdachte de voorlopige hechtenis ‘aan zijne eigen houding te wijten heeft’. Daarmee citeerde de Hoge Raad uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 90 Sv. Voorts is in dit arrest van de Hoge Raad onder meer de volgende passage weergegeven uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 (waarbij in artikel 89 Sv de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding):</para>
      <para>‘De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. (...).’</para>
      <para>(Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof dient derhalve de vraag te beantwoorden of het, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, billijk is dat de nadelige gevolgen van de in verzekering stelling en de voorlopige hechtenis – uitgaande van de indertijd gerechtvaardigde verdenking – niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is op 31 mei 2016 als verdachte aangehouden, nadat hij door de politie, die op zoek was naar twee na een poging straatroof weggerende verdachten, op de door getuigen beschreven vluchtroute van die verdachten met zijn destijds medeverdachte [medeverdachte] was aangetroffen. Volgens de politie ademden verzoeker en [medeverdachte] zwaar en hadden zij een verwilderd uiterlijk. Zij voldeden in belangrijke mate aan het (kleding)signalement van de daders van de poging straatroof voor zover dat uit getuigenverklaringen naar voren kwam. Bij het eerste verhoor door de politie op 31 mei 2016, de inverzekeringstelling op diezelfde dag, het tweede verhoor door de politie op 1 juni 2016, de inbewaringstelling op 3 juni 2016, de gevangenhouding op 13 juni 2016 en het verhoor in raadkamer op 6 juli 2016 heeft verzoeker zich vervolgens steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Eerst ter terechtzitting op 7 september 2016 heeft verzoeker betrokkenheid bij de poging tot straatroof ontkend en verteld dat hij in de tijd dat de poging tot straatroof plaatsvond elders was, namelijk bij de Lidl om daar inkopen te doen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de door de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis geleden schade voor rekening en risico van de verzoeker dient te blijven, voor zover die schade is geleden voor 7 september 2016. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof volgt de advocaat niet in diens stelling dat het al dan niet afleggen van een verklaring door verzoeker in dit geval niet uitmaakte voor de voorlopige hechtenis aangezien de voorlopige hechtenis voortduurde nadat verzoeker openheid van zaken over zijn gedragingen die dag had gegeven. Naar het oordeel van het hof heeft de – overigens rechtens te respecteren – keuze voor het gebruikmaken van het zwijgrecht van verzoeker er in dit geval toe geleid dat er gedurende een periode een sterkere verdenking tegen verzoeker leek te zijn dan achteraf het geval bleek. Het hof acht het om die reden niet billijk dat de in die periode ontstane schade door de staat gedragen zou moeten worden. Voor de hierna voortgezette voorlopige hechtenis is dit anders. Het hof acht daarom wel gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane voorlopige hechtenis vanaf 7 september 2016 tot zijn vrijlating op 9 november 2016 en stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € (64 dagen x 80,00 ) 5.120,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kent ten laste van de Staat aan verzoeker een vergoeding toe van € 5.120,00 (vijfduizend honderdtwintig euro).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst het anders of meer verzochte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.J.G.B. Heutink en J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 13 oktober 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter beveelt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 5.120,00 (vijfduizend honderdtwintig euro), te betalen ten laste van de Staat aan verzoeker voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] t.n.v. [naam] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Amsterdam, 13 oktober 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. R.D. van Heffen, voorzitter.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>