<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:4037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:18:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-08-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">16/00161</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2018:940" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:940</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2017/2617 met annotatie van Jeannette van der Vegt</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2017/2393</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2017/54.17.2</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2017/3010 met annotatie van E.P. Hageman LLM</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:4037">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:4037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-10-05T11:10:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:4037 Gerechtshof Amsterdam , 29-08-2017 / 16/00161</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:4037:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vaststellingsovereenkomst tussen de inspecteur en belanghebbende ter bepaling van de waarde van een onroerende zaak. Inspecteur komt daarop terug bij de aanslagregeling. Heeft de inspecteur daarmee tegen beter weten in, dan wel in vergaande mate onzorgvuldig, gehandeld zodat recht bestaat op integrale proceskostenvergoeding?</para>
      <para />
      <para>Het Hof oordeelt dat geen recht bestaat op integrale proceskostenvergoeding omdat de overeenkomst gebrekkig is uitgevoerd en het de inspecteur daarom vrijstond om daarop terug te komen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:4037:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>kenmerk 16/00161</para>
    <para>29 augustus 2017</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de meervoudige belastingkamer </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, </emphasis>de inspecteur ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van 29 maart 2016 in de zaak met kenmerk HAA 15/4659 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X] B.V. </emphasis>te [Z] , belanghebbende,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. L. Tweebeeke)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de inspecteur .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een</para>
        <para>aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting berekend naar een belastbaar bedrag van € 121.147.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een</para>
        <para>aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 36.147. De inspecteur heeft aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarprocedure toegekend van € 972. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in haar uitspraak het door belanghebbende ingestelde beroep</para>
        <para>gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 5.810,02 en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 te vergoeden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Het door de inspecteur tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof </para>
        <para>ingekomen op 21 april 2016. Namens belanghebbende is een verweerschrift ingediend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Van het verhandelde ter</para>
        <para>zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>“1. Eiseres is een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Op 16 oktober 2006 heeft eiseres samen met [persoon A] en [persoon B] de</para>
      <parablock>
        <para>eigendom verkregen van de onroerende zaak [A-straat 1] in [Z] (hierna: de</para>
        <para>onroerende zaak). Eiseres heeft een aandeel van 76% verkregen. [persoon A] en [persoon B] hebben samen een aandeel van 24% verkregen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Op 25 januari 2007 is de onroerende zaak gesplitst in twee appartementsrechten.</para>
      <parablock>
        <para>Hierbij is appartementsrecht 1, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de</para>
        <para>bedrijfsruimte op de begane grond en uitmakende het onverdeeld negentien/vijfentwintigste gedeelte in de gemeenschap, aan eiseres toegedeeld. Eiseres heeft het appartementsrecht geactiveerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. In verband met de overdracht van de onroerende zaak aan de zoon van [persoon A] en</para>
      <para>
        [persoon B] hebben eiseres en verweerder in oktober 2011 een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) met elkaar gesloten. In de vso is, onder andere, het volgende bepaald:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">Vaststellingsovereenkomst waardering onroerende zaken</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [belanghebbende] , [adres 1]</para>
        <para>
          [Z] , BSN/sofinummer [XXX]</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [inspecteur]
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>hebben een vaststellingsovereenkomst (conform artikel 7.900 Burgerlijk Wetboek) gesloten ter bepaling van de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak genoemd in bijgevoegde <emphasis role="italic">Opgaafinformatie taxatie onroerende zaken</emphasis> van 21 september 2011 als grondslag voor de heffing van:</para>
        <para>- De vennootschapsbelasting.</para>
        <para>- Het schenkingsrecht.</para>
        <para>- De overdrachtsbelasting.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De taxateur die optreedt namens de belastingplichtige en de taxateur die optreedt namens de Belastingdienst taxeren de onroerende zaak nadat deze overeenkomst is gesloten. De</para>
        <para>gegevens van de taxateurs staan hieronder.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Taxateur van de belastingplichtige</emphasis>
        </para>
        <para>
          [[***]]
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Taxateur van de Belastingdienst</emphasis>
        </para>
        <para>De taxateur wordt aangewezen door het team waardeonderzoek van</para>
        <para>Belastingdienst/Amsterdam, postbus 58944, 1040 EE te Amsterdam.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Reden vaststellingsovereenkomst</emphasis>
        </para>
        <para>De waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld om de volgende reden. De onroerende zaak is onderwerp van een overdracht of schenking aan kinderen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Peildatum en vaststelling waarde(n)</emphasis>
        </para>
        <para>De waarde(n) van de onroerende zaak in het economische verkeer in vrij opleverbare staat worden vastgesteld per heden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Voorwaarden</emphasis>
        </para>
        <para>- De [belanghebbende] bevestigt dat de gegevens in de</para>
        <para>bijgevoegde <emphasis role="italic">Opgaaf informatie taxatie onroerende</emphasis> zaak juist zijn. Deze opgaaf</para>
        <para>maakt deel uit van de vaststellingsovereenkomst.</para>
        <para>- Als blijkt dat de gegevens in de <emphasis role="italic">Opgaafinformatie taxatie onroerende zaak</emphasis> onjuist</para>
        <para>zijn, dan is de vastgestelde waarde ongeldig.</para>
        <para>- [belanghebbende] neemt de kosten van de taxatie voor haar</para>
        <para>rekening. Van de zijde van de Belastingdienst zijn er geen kosten aan verbonden.</para>
        <para>- Het taxatierapport kan alleen gebruikt worden voor doeleinden gelegen tot drie</para>
        <para>maanden na de peildatum.</para>
        <para>- Als de taxateurs het eens zijn over de waarde van de onroerende zaak, doet de</para>
        <para>belanghebbende afstand van rechtsmiddelen tegen de aanslag voor wat betreft de</para>
        <para>waardering van de onroerende zaak genoemd in de bijlage van de vaststellingsovereenkomst.</para>
        <para>- Als de taxateurs het niet eens kunnen worden over de waarde van de onroerende</para>
        <para>zaak dienen de taxateurs ieder afzonderlijk een taxatieverslag in.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. In het in oktober 2011 ingevolge de vso opgemaakte taxatierapport is de waarde</para>
      <parablock>
        <para>van de onroerende zaak vastgesteld op € 265.000. Daarbij is het volgende omtrent de</para>
        <para>splitsing van de waarde aangegeven:</para>
        <para>(...) Splitsing waarde  -  appartementsrecht Al  -  bedrijfsgedeelte met ondergrond € 70.000,-</para>
        <para>                                              -  appartementstrecht A2 - woongedeelte met tuin	     € 195.000,-</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. De overdracht van de onroerende zaak heeft juridisch en fiscaal plaatsgevonden</para>
      <para>overeenkomstig de vso.</para>
      <para />
      <para>7. Bij de aanslagregeling heeft verweerder geconstateerd dat eiseres een bijzondere</para>
      <parablock>
        <para>last van € 124.667 in aanmerking had genomen, nu het appartementsrecht op 31 december</para>
        <para>2011 een boekwaarde had van € 194.667. Verweerder heeft de bijzondere last bij het</para>
        <para>opleggen van de aanslag gecorrigeerd met € 85.000. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de waarde van het erf en de tuin bij de taxatie ten onrechte bij het woongedeelte zijn gerekend maar dat deze - gelet op de activering van de grond op de balans van eiseres  - aan het bedrijfsgedeelte moeten worden toegerekend. Hiermee is verweerder afgeweken van de waarde zoals deze bij de gezamenlijke taxatie is vastgesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Eiseres heeft bezwaar tegen de aanslag gemaakt. Het bezwaar richt zich ertegen dat</para>
      <parablock>
        <para>verweerder van de gezamenlijke taxatie is afgeweken. Na correspondentie over en weer en</para>
        <para>een hoorgesprek is verweerder om doelmatigheidsredenen aan het bezwaar van eiseres</para>
        <para>tegemoet gekomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. Eiseres heeft verweerder om een integrale kostenvergoeding verzocht ter grootte</para>
      <para>van € 3.515. Verweerder is niet aan dit verzoek tegemoetgekomen. Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 10 september 2015 een kostenvergoeding van € 972 toegekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Meer specifiek is in geschil of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Overwegingen van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil – voor zover hier van belang - het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“10. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de</para>
      <para>Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het</para>
      <para>bezwaar, redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op</para>
      <para>verzoek van de belanghebbende en voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens</para>
      <para>aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.</para>
      <para>Ii. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit kent een forfaitaire regeling voor het</para>
      <para>toekennen van een kostenvergoeding. 0p grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit kan</para>
      <para>van deze regeling worden afgeweken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de</para>
    <parablock>
      <para>forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat</para>
      <para>het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op</para>
      <para>dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde</para>
      <para>procedure geen stand zal houden (Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).</para>
      <para>Ook in andere gevallen kan aanleiding bestaan om, alle (bijzondere) omstandigheden van</para>
      <para>het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit,</para>
      <para>bijvoorbeeld omdat de inspecteur bij het opleggen van een navorderingsaanslag in</para>
      <para>vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (Hoge Raad, 4 februari 2011,</para>
      <para>ECLI:NL:HR:201 1:BP2975).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 augustus 2004</para>
    <parablock>
      <para>(ECLI:NL:HR:2004:AQ6896) volgt dat de partij die meent op grond van bijzondere</para>
      <para>omstandigheden aanspraak te kunnen maken op vergoeding van een hoger bedrag aan</para>
      <para>vergoeding van proceskosten zich daarop bij de rechter uitdrukkelijk moet beroepen. In de</para>
      <para>lijn daarvan ligt dat degene die om een proceskostenvergoeding vraagt evenzeer</para>
      <para>omstandigheden aandraagt op grond waarvan de rechter zou moeten oordelen dat sprake is</para>
      <para>van bijzondere omstandigheden die een hogere dan de forfaitaire vergoeding</para>
      <para>rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 april 2011 (ECLI:NL:HR:201 1 :BQO41 5)</para>
    <parablock>
      <para>geoordeeld dat de rechter terughoudend dient te zijn met afwijken, wegens bijzondere</para>
      <para>omstandigheden, van de forfaitaire bedragen van het Besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Eiseres neemt het standpunt in dat zij recht heeft op een integrale</para>
    <parablock>
      <para>proceskostenvergoeding en voert daartoe het volgende aan. Er is sprake van een grove</para>
      <para>schending van diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Door de aangifte</para>
      <para>vennootschapsbelasting 2011 te corrigeren is verweerder afgeweken van de gezamenlijke</para>
      <para>taxatie. Van verschoonbare dwaling ten aanzien van de uitgangspunten of feiten is geen</para>
      <para>sprake, omdat ten tijde van de totstandkoming van het sluiten van de vso alle relevante</para>
      <para>documenten en informatie bekend waren bij verweerder. Aan een inhoudelijke toetsing kon</para>
      <para>derhalve niet worden toegekomen, aldus eiseres. Verweerder heeft eiseres tegen beter weten</para>
      <para>in een bezwaarprocedure ingetrokken waarvoor volstrekt onnodig kosten zijn gemaakt.</para>
      <para>Verweerder had moeten weten dat er formeel geen mogelijkheid was om terug te komen op</para>
      <para>hetgeen in de vso was vastgelegd. De door verweerder aangevoerde argumenten waren</para>
      <para>feitelijk en juridisch onjuist. Bovendien had verweerder geen pleitbaar standpunt voor het</para>
      <para>opvoeren van de foutenleer en vermogensetikettering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. Verweerder betwist het standpunt van eiseres. Ter zitting heeft verweerder</para>
    <parablock>
      <para>aangevoerd dat hij niet gebonden is aan de gezamenlijke taxatie, omdat pas tijdens de</para>
      <para>aanslagregelende fase gebleken is dat de gezamenlijke taxatie afweek van de werkelijkheid.</para>
      <para>Bij de gezamenlijke taxatie is de grond, die was geactiveerd door eiseres, in aanmerking</para>
      <para>genomen bij het woondeel. Er is dus een verkeerde grondwaarde en daarmee een verkeerde</para>
      <para>waarde voor het bedrijfsdeel in aanmerking genomen bij eiseres. Dat de inspecteur in de</para>
      <para>bezwaarfase heeft besloten om de correctie te laten vervallen, betekent volgens verweerder</para>
      <para>niet dat bij het opleggen van de aanslag onzorgvuldig of tegen beter weten in gehandeld is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>17. De rechtbank stelt voorop dat in een geval waarin partijen zijn overeengekomen dat</para>
    <parablock>
      <para>zij zich binden aan een door derden - in opdracht van partijen - te geven beslissing (in dit</para>
      <para>geval een gezamenlijke taxatie), die beslissing ingevolge artikel 7:904, lid 1, van het</para>
      <para>Burgerlijk Wetboek vernietigbaar is indien gebondenheid aan die beslissing in verband met</para>
      <para>inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar</para>
      <para>maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uitsluitend ernstige</para>
      <para>gebreken in de inhoud van de beslissing of de wijze van totstandkoming ervan kunnen</para>
      <para>aanleiding zijn om de beslissing te vernietigen (HR 5 december 2008,</para>
      <para>ECLI:NL:HR:2008:BG5988). Dit betekent dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan</para>
      <para>worden teruggekomen op de in een vaststellingsovereenkomst neergelegde bindende</para>
      <para>afspraken tussen partijen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>18. Naar het oordeel van de rechtbank leidt hetgeen verweerder heeft aangevoerd niet</para>
    <parablock>
      <para>tot de conclusie dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die ertoe leiden dat</para>
      <para>verweerder zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gebonden hoefde te</para>
      <para>achten aan de tussen partijen gesloten vso. Immers, het is onbetwist komen vast te staan dat</para>
      <para>ten tijde van het sluiten van de vso alle relevante documenten en informatie bekend waren</para>
      <para>bij beide partijen en dat de gezamenlijke taxatie is uitgevoerd door deskundigen op het</para>
      <para>gebied van de waardering van onroerende zaken, die het te waarderen object hebben</para>
      <para>bezichtigd en zich zelfstandig een oordeel hebben kunnen vormen over de waarde van het</para>
      <para>object. Partijen hebben er derhalve van uit kunnen gaan dat de gezamenlijke taxatie berustte</para>
      <para>op correcte uitgangspunten. Dat beide taxateurs kennelijk zijn uitgegaan van een</para>
      <para>verondersteld feitelijk gebruik van de tuin bij het woondeel en daarom de waarde aldus</para>
      <para>hebben gesplitst, is gelet hierop niet van belang. Deze — zoals achteraf is gebleken — onjuiste</para>
      <para>veronderstelling doet niet af aan het bindende karakter van de vaststellingsovereenkomst ter</para>
      <para>voorkoming van geschil. Van een verschoonbare dwaling is naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank geen sprake. nu de taxateurs beschikten over alle relevante informatie ten</para>
      <para>behoeve van de taxatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>19. De rechtbank is vervolgens, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van</para>
    <parablock>
      <para>oordeel dat verweerder tegen beter weten in dan wel in vergaande mate onzorgvuldig heeft</para>
      <para>gehandeld door bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2011</para>
      <para>van de gezamenlijke taxatie af te wijken. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking</para>
      <para>dat verweerder zich tijdens de aanslagregelende fase nimmer heeft beroepen op</para>
      <para>vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst maar steeds heeft gesteld dat hij, gelet</para>
      <para>op de discrepantie tussen het taxatierapport en de werkelijke eigendomsverhouding, van die</para>
      <para>eigendomsverhouding uit mocht gaan. Daardoor is verweerder ten onrechte voorbijgegaan</para>
      <para>aan het karakter van de vso en zijn de argumenten van eiseres ter zake steeds genegeerd.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder desgevraagd niet kunnen toelichten wat de ‘doelmatigheidsredenen’ waren die ertoe geleid hebben dat uiteindelijk is afgezien van de correctie. Ook door deze handelwijze heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt wat zijn overwegingen waren om eerst wel en vervolgens toch niet te corrigeren. De eerst ter zitting opgeworpen stelling van verweerder dat eiseres na het uitbrengen van de taxatie had moeten opmerken dat de tuin ten onrechte bij het woongedeelte in aanmerking was genomen, is tijdens de aanslagregelende fase niet aan de orde geweest en kan in dit stadium van de procedure geen rol meer spelen. De rechtbank gaat dan ook aan die stelling, die op geen enkele wijze van belang is voor de vraag of recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding, voorbij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>20. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van</para>
    <parablock>
      <para>bijzondere omstandigheden die de aanleiding vormen om aan eiseres een integrale</para>
      <para>proceskostenvergoeding toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>21. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.”</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de beide taxateurs bij de uitvoering van hun opdracht een fout hebben gemaakt, in die zin dat zij niet de volledige onroerende zaak die belanghebbende in eigendom heeft, hebben getaxeerd. Zij hebben ten onrechte de grond - bestaande uit erf en tuin - die juridisch bij het bedrijfsgedeelte van het pand behoort, en al sinds de aankoop op de bedrijfsbalans van belanghebbende staat, niet aan het pand van belanghebbende toegerekend. Aldus hebben zij naar het oordeel van het Hof het te taxeren object verkeerd en in afwijking van de akte van splitsing afgebakend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ondanks de gemaakte fout het de inspecteur niet vrijstaat bij de aanslagregeling af te wijken van de door de taxateurs voor de onroerende zaak vastgestelde waarde. Het Hof verwerpt dit standpunt.</para>
        <para>De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst is in beginsel bindend, doch indien de overeenkomst niet dan wel gebrekkig wordt uitgevoerd, staat het elk van beide partijen vrij zich daarop te beroepen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op hetgeen sub 5.1. is overwogen is het Hof van oordeel dat de onderhavige overeenkomst gebrekkig is uitgevoerd, nu geen uitvoering is gegeven aan de bedoeling van partijen om de volledige onroerende zaak van belanghebbende te taxeren. Het stond de inspecteur dan ook vrij daarop bij de aanslagregeling terug te komen. In de gegeven omstandigheden kan dan niet gezegd worden dat hij, door dit te doen, tegen beter weten in, dan wel in vergaande mate onzorgvuldig, heeft gehandeld.</para>
        <para>Aan dit oordeel doet niet af dat de inspecteur in de bezwaarfase alsnog de bij de aanslagregeling vastgestelde correctie op praktische gronden - capaciteitsgebrek, naar de inspecteur ter zitting heeft verklaard - ongedaan heeft gemaakt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. De uitspraak van de rechtbank kan niet in stand blijven.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Kosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak van de rechtbank;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, C.J. Hummel en W.M.C. Schipper, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 29 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH  Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
      <para>1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para>2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. een dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>