<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:2730</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-21T14:06:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.190.053/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:2730">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:2730</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-21T14:04:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:2730 Gerechtshof Amsterdam , 11-07-2017 / 200.190.053/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:2730:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2016:5160 en van ECLI:NL:GHAMS:2017:1193. Hof komt niet terug van bindende eindbeslissing appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. Haar advocaat wordt op grond van art. 245 Rv in de proceskosten veroordeeld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:2730:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM                                </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 						200.190.053/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam:		3909787 CV EXPL 15-5160</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 juli 2017 (bij vervroeging)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend te [woonplaats] , </para>
      <para>appellante,  </para>
      <para>advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>advocaat: mr. 	L.F. Birnie te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna wederom [appellante] en Eigen Haard genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft in deze zaak op 4 april 2017 een tweede tussenarrest (verder ook: het laatste tussenarrest) uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft mr. Liefting een akte, met producties, genomen waarna Eigen Haard een antwoordakte heeft genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte is wederom arrest gevraagd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In het laatste tussenarrest heeft het hof overwogen dat [appellante] niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen omdat een rechtsgeldige opdracht aan mr. Liefting tot het instellen daarvan heeft ontbroken, dat er daarom aanleiding bestaat mr. Liefting op de voet van art. 245 lid 1 Rv in de proceskosten aan de zijde van Eigen Haard, die immers in appel in het gelijk wordt gesteld, te veroordelen en dat het hof – alvorens aldus te beslissen – op grond van art. 245 lid 2 Rv mr. Liefting in de gelegenheid zal stellen bij akte zijn standpunt aangaande dit voornemen naar voren te brengen en toe te lichten, waarop Eigen Haard vervolgens bij antwoordakte zal mogen reageren. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>In zijn ingevolge dat arrest genomen akte verzoekt mr. Liefting allereerst het hof terug te komen van zijn in dat arrest neergelegde bindende eindbeslissing dat [appellante] niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep omdat een rechtsgeldige opdracht tot het instellen daarvan heeft ontbroken. Hiertoe wordt primair aangevoerd dat het bewind per 20 januari 2017 is opgeheven, subsidiair dat [appellante] “hierbij” – dus bij die akte – de (naar het hof begrijpt: destijds door [appellante] zelf onbevoegdelijk gegeven) opdracht tot het instellen van hoger beroep bekrachtigt, met als gevolg dat alle proceshandelingen geldig zijn en er dient te worden voort geprocedeerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <para>Het hof verwerpt voormelde primaire stelling omdat, zoals in het laatste tussenarrest overigens al is geoordeeld, de omstandigheid dat het bewind op 20 januari 2017 is opgeheven, niet relevant is voor de vraag of het hoger beroep bevoegdelijk is ingesteld.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Ook de onder 2.2.1 vermelde subsidiaire stelling wordt van de hand gewezen. Allereerst acht het hof de gestelde bekrachtiging tardief, omdat geen (redelijke) verklaring is gegeven voor het feit dat zij niet reeds heeft plaatsgevonden voordat  – na het tussenarrest van 29 november 2016 – wederom arrest werd gevraagd, zulks terwijl toen door het hof zou worden beslist op de vraag of [appellante] ontvankelijk was in haar hoger beroep. Meer concreet had [appellante] na de antwoordakte van Eigen Haard (na dat tussenarrest) nogmaals een akte kunnen nemen, nu in verband met die (beoogde) bekrachtiging. Bovendien echter treft doel de betwisting door Eigen Haard dat [appellante] de opdracht tot het instellen van hoger beroep heeft bekrachtigd. Daartoe wordt het volgende overwogen. Bij het laatste tussenarrest heeft het hof, als gezegd, de zaak naar de rol verwezen teneinde mr. Liefting in de gelegenheid te stellen te reageren op het voornemen van het hof hem op de voet van art. 245 lid 1 Rv in de proceskosten van Eigen Haard te verwijzen. De vervolgens door mr. Liefting genomen akte luidt:</para>
          <para>“Mr Liefting, zegt voor:</para>
          <para>
            <emphasis role="bold">AKTE:</emphasis>
          </para>
          <para>Mr Liefting heeft kennis genomen van het arrest van het Hof van 4 april 2017. Mr Liefting is het met die beslissing niet eens en wel om het navolgende.</para>
          <para>(…)”</para>
          <para>Aldus heeft mr. Liefting deze akte – terecht – niet namens [appellante] maar voor zichzelf genomen, zodat [appellante] niet bij die akte de opdracht tot het instellen van het hoger beroep heeft bekrachtigd of kon bekrachtigen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.4.</nr>
        <para>Het hof blijft dan ook bij zijn beslissing dat [appellante] niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Reeds omdat in de appeldagvaarding van 14 april 2016, punt 7, is opgemerkt dat [appellante] een bewindvoerder heeft en daaruit volgt dat mr. Liefting – anders dan hij in zijn akte na het laatste tussenarrest stelt – toen (al) van de onderbewindstelling van [appellante] op de hoogte was, kan niets van wat mr. Liefting in deze akte ver-der heeft aangevoerd het hof afbrengen van zijn in dat arrest geuite voornemen hem  in de proceskosten van Eigen Haard te veroordelen. Daarom zal als volgt worden beslist.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2016;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst mr. Liefting op de voet van art. 245 lid 1 Rv in de kosten van het geding aan de zijde van Eigen Haard gevallen, tot op heden begroot op € 718,= voor verschotten en € 1.788,= voor salaris van de advocaat;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, L.A.J. Dun en E.M. Polak en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 juli 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>