<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:199</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-18T11:23:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.185.594/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:199">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:199</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-18T10:41:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:199 Gerechtshof Amsterdam , 24-01-2017 / 200.185.594/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:199:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:1189.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:199:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 					: 200.185.594/01</para>
      <para>zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam    		: C/13/581985/HA ZA 15-198</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 januari 2017 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant sub 1] en</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [appellante sub 2] ,</emphasis>
      </para>
      <para>beiden wonend te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,</para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>advocaat: mr. J de Koning te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>STICHTING PARTICIPATIEKANTOOR “LAMONRIVILLE”,</title>
    <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [geïntimeerde sub 2] </emphasis>en</para>
    <bridgehead role="bold">3. [geïntimeerde sub 3] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>beiden wonend te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>geïntimeerden,  </para>
      <para>advocaat: mr. S.L. Schram te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [appellanten] en de stichting c.s. genoemd. [appellanten] worden afzonderlijk als [appellant sub 1] en [appellante sub 2] aangeduid, de stichting c.s. afzonderlijk als de stichting, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellanten] zijn bij dagvaarding van 26 januari 2016 in hoger beroep gekomen van het onder voormeld zaak-/rolnummer tussen hen als eisers en de stichting c.s. als gedaagden gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:</para>
    </parablock>
    <para>- memorie van grieven tevens houdende akte wijziging eis, met producties;</para>
    <para>- memorie van antwoord, met producties. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte is arrest gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellanten] hebben geconcludeerd, zakelijk, dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen, voor zover hun vorderingen zijn afgewezen, en hun andere vorderingen, zoals in appel gewijzigd, zal toewijzen, met veroordeling van de stichting c.s. tot terugbetaling van wat [appellanten] hun uit hoofde van het bestreden vonnis hebben betaald en met beslissing over de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De stichting c.s. hebben geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>Motivering van de beslissing </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Hoewel het hof zich voldoende voorgelicht acht om op de zaak te kunnen beslissen, zal het een comparitie van partijen gelasten vanwege het volgende. Tussen partijen, voor zover natuurlijke personen, bestaan familiebanden. Omdat deze banden, ongeacht de uitkomst van dit geding, niet zullen kunnen worden verbroken, is een voor alle betrokkenen aanvaardbare minnelijke regeling te prefereren boven een rechterlijke uitspraak. Het hof wenst daarom tijdens een zitting de mogelijkheden van een dergelijke regeling met partijen te onderzoeken. Ook zal bij die gelegenheid de mogelijkheid van mediation worden besproken. De comparitie zal alleen dan geen doorgang vinden, indien partijen het hof eenparig te kennen geven tot het treffen van een minnelijke regeling niet bereid te zijn en arrest te wensen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gelast partijen, [appellanten] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in persoon en de stichting vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is een regeling te treffen, om met het oog op het hiervoor onder 2.1 omschreven doel te verschijnen voor mr. R.J.M. Smit, die bij dezen tot raadsheer-commissaris wordt benoemd en die daartoe op een nader te bepalen dag en tijdstip zitting zal houden in een der lokalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	verwijst de zaak naar de rol van (twee weken na arrest) voor het opgeven van verhinderdata over de maanden maart, april en mei 2017;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2017. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>