<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:1795</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:41:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R 001847-15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903">Wetboek van Strafvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001903&amp;artikel=89">Wetboek van Strafvordering 89</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>O&amp;A 2017/83</rdf:li>
          <rdf:li>JGz 2017/5 met annotatie van D.W.J. Vinkes</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:1795">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:1795</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-16T10:25:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:1795 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2017 / R 001847-15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:1795:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek schadevergoeding gewezen verdachte (art. 89 Sv). In de omstandigheid dat appellant zeer in de war was en in voorlopige hechtenis verbleef in afwachting van een machtiging in het kader van de BOPZ en klinische opname, ziet het hof, anders dan de rechtbank, geen reden de vergoeding af te wijzen of lager dan forfaitair vast te stellen. Voorts vergoeding inkomstenderving.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:1795:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beschikking 		 </para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="864071b4-14aa-4772-8205-c296ec2490c8" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="51246600-cb84-45ce-ba7d-50f32b60ac57" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ceaa7ba5-bbcf-4102-bbc2-c1ed5d8ccdd9" depth="2" width="571" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Rekestnummer: R 001847-15 / (89 Sv HB)</para>
      <para>Parketnummer in eerste aanleg: 13-669094-14</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2015 op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1981,</para>
      <para>domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,</para>
      <para>mr. S. Koster, Keizersgracht 680, 1017 ET Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inhoud van het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van € 25.455,39, ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De schade die verzoeker stelt te hebben geleden bestaat uit a) een forfaitaire vergoeding voor de dagen die verzoeker in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft gezeten ten bedrage van  € 19.120,00 alsmede b) een vergoeding vanwege inkomstenderving als gevolg van de ondergane detentie ten bedrage van € 6.335,39, waarvan een bedrag ad € 5.700,00 betrekking heeft op ontstane huurschuld</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzoek toegewezen tot een bedrag van € 3.500,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep is ingesteld namens verzoeker (hierna appellant).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 14 april 2017 de advocaat-generaal, appellant en diens advocaat ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de vergoeding van het onder a verzochte afgewezen omdat de psychische gesteldheid van appellant (appellant was erg in de war) niet toeliet dat de verdachte naar huis zou worden gestuurd en er geen plaats vrij was in een kliniek. Ten aanzien van het onder b verzochte heeft de rechtbank een vergoeding van € 3.500,00 toegewezen, zijnde de geschatte huur die appellant tijdens zijn detentie heeft moeten betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat heeft in raadkamer gepersisteerd bij het verzoek van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot toewijzing van het onder a verzochte en toewijzing van het onder b verzochte tot een bedrag van € 5.700,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep is tijdig ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de omstandigheid dat appellant zeer in de war was en in voorlopige hechtenis verbleef in afwachting van een machtiging in het kader van de BOPZ en klinische opname, ziet het hof, anders dan de rechtbank, geen reden de vergoeding onder a af te wijzen of lager dan forfaitair vast te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal het hoger beroep dan ook gegrond verklaren en de beschikking van de rechtbank vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het hoger beroep gegrond wordt geoordeeld zal het hof bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet had behoren te geschieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is tijdig ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op 23 juni 2013 in verzekering gesteld. Vervolgens is de voorlopige hechtenis van appellant bevolen. Appellant is op 17 februari 2014 in vrijheid gesteld. Van deze 239 dagen heeft appellant alle dagen in een huis van bewaring gezeten. In het feit dat een strafvorderlijk dwangmiddel werd ingezet om een in wezen medische noodtoestand op te lossen ziet het hof redenen van billijkheid de daardoor door appellant geleden schade, zoals opgenomen onder a., niet voor zijn rekening te laten, maar daarvoor de gebruikelijke forfaitaire vergoeding toe te kennen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de schade die is veroorzaakt en de gevolgen die dit voor appellant heeft gehad, ziet het hof daarnaast aanleiding het onder b verzochte toe te wijzen voor zover dit betrekking op de gestelde huurschuld ad € 5.700,00.  Het hof overweegt hieromtrent in het bijzonder dat het openbaar ministerie bij monde van de advocaat-generaal heeft erkend dat de voorlopige hechtenis van appellant te lang heeft geduurd waardoor de huurschuld is ontstaan en de schade van appellant onnodig hoog is opgelopen. Het hof acht in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding zoals verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de genomen beslissingen op het verzoek ex artikel 89 Sv.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kent ten laste van de Staat  aan appellant een vergoeding toe van € 24.820 (vierentwintigduizend achthonderdentwintig  euro).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.E.M Röttgering, M. Iedema en M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 12 mei 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter beveelt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 24.820 (vierentwintigduizend achthonderdentwintig  euro), te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alsmede </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank van 25 augustus 2015 voor een bedrag van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Amsterdam, 12 mei 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. A.E.M. Röttgering, voorzitter.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>