<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2017:1047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T20:28:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-03-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.164.668/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2017/2670</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:1047">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:1047</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-24T14:16:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2017:1047 Gerechtshof Amsterdam , 28-03-2017 / 200.164.668/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2017:1047:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolg van tussenarrest 13 oktober 2015. Bewijs niet geslaagd. De appellant mocht niet gerechtvaardigd erop vertrouwen dat de opdrachten door de geïntimeerde waren gegeven. Bekrachtiging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2017:1047:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer 	: 200.164.668/01</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaak- rolnummer rechtbank 	: C/13/541933/HA ZA 13-549 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 maart 2017</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>inzake</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">CARGO SHIPPING INTERNATIONAL B.V.</emphasis>,</para>
    <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
    <para>appellante,</para>
    <para>advocaat: mr. R.P. van Campen te Amsterdam,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">BD&amp;G LOGISTICS B.V.</emphasis>,</para>
    <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
    <para>geïntimeerde, </para>
    <para>advocaat: mr. C. Hofmans te Naarden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen worden hierna wederom CSI en BD&amp;G genoemd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In deze zaak heeft het hof op 13 oktober 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ingevolge het tussenarrest heeft CSI op 18 februari 2016 één getuige doen horen, waarna ook BD&amp;G op 7 juni 2016 één getuige heeft doen horen. De daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn bij de gedingstukken gevoegd. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CSI heeft een memorie na enquête genomen en bewijsstukken in het geding gebracht.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BD&amp;G heeft eveneens een memorie na enquête genomen en een bewijsstuk in het geding gebracht. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij het tussenarrest is CSI toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat door een bevoegd bestuurder van BD&amp;G uitdrukkelijk aan een medewerker van CSI is meegedeeld dat Lorld [A.] gemachtigd was om namens BD&amp;G vervoersopdrachten aan CSI te geven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft CSI [T.] (hierna: [T.] ) als getuige doen horen. [T.] heeft voor zover van belang, het volgende verklaard: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik was general manager van (…) CSI tot 2013. Ergens in 2010 zijn wij benaderd door BD&amp;G. (…) Ik heb gesproken met de heren [B.] en met ene [N.] . (…) De heren handelden ook vanuit een terrein in Hamburg. (…) Ik [N.] samen met [B.] en [N.] naar Hamburg gegaan om daar te kijken. (…) Ik [N.] daar voorgesteld door de heer [B.] aan [A.] en [E.] . Zij waren degenen die het terrein in Hamburg runden. Er is afgesproken dat zij voortaan de opdrachten voor zeevervoer aan ons zouden verstrekken. De financiële afhandeling zou via BD&amp;G lopen. Na die tijd zijn alle opdrachten uit Hamburg verstrekt door [A.] of [E.] . (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik [N.] de eerste keer naar Hamburg gegaan met [B.] om daar kennis te maken met [A.] en [E.] . De bedoeling was onmiskenbaar dat zij namens BD&amp;G opdrachten zouden geven voor transport en dat we de financiële afwikkeling via BD&amp;G zouden doen. Dat was de reden waarom ik in Hamburg door [B.] aan [A.] en [E.] [N.] voorgesteld. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>BD&amp;G heeft op haar beurt haar voormalig bestuurder [D.] (hierna: [D.] ) als getuige doen horen. [D.] heeft voor zover van belang, het volgende verklaard: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik was bestuurder van BD&amp;G van 2006 tot 2011, april. (…) [A.] was één van onze medewerkers in Hamburg, hij was daar de contactpersoon. Als iemand daar een container nodig had, belde hij ons hier in Amsterdam, dat wil zeggen: BD&amp;G, en wij regelden dan de container. Dat deed ik zelf. (…)U vraagt mij of [A.] ook zelf opdrachten aan CSI kon geven voor containers. Nee. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">U vraagt mij of ik aanwezig [N.] geweest in Hamburg bij een bespreking met meneer [T.] . Ja, de eerste keer dat de heer [T.] in Hamburg is geweest, heb ik hem daar heen gebracht. Daar was toen ook [A.] bij. (…) Zij(…) wilden het terrein in Hamburg zien waar we de containers hadden. Dat terrein was door mij gehuurd. Bij die bespreking is het eigenlijk alleen over het terrein gegaan. U vraagt mij of [A.] op enig moment ook zelf opdrachten aan CSI heeft gegeven. Nee, dat weet ik wel zeker, omdat ik dat dan moest betalen. (…) [A.] is nooit gemachtigd geweest om vervoersopdrachten te geven aan CSI. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat CSI met het bovenstaande niet in het door haar te leveren bewijs is geslaagd. Daarbij is van doorslaggevend belang dat de enkele verklaring van [T.] , tegenover de andersluidende verklaring van [D.] onvoldoende is om als vaststaand aan te nemen dat ter gelegenheid van de bijeenkomst in Hamburg namens BD&amp;G uitdrukkelijk is meegedeeld dat [A.] gemachtigd was om namens BD&amp;G vervoersopdrachten aan CSI te geven. Nu CSI verder geen bewijs voor haar stelling heeft bijgebracht, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat door of namens BD&amp;G opdracht voor de in het geding zijnde transporten is gegeven en evenmin dat CSI daar gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen. De vorderingen van CSI zijn reeds daarom niet toewijsbaar. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft dan geen bespreking meer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. CSI zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt CSI in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van BD&amp;G begroot op € 2.512,- aan verschotten en € 4.077,50 voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, <?linebreak?>E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>