<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2016:3920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-04T10:29:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-09-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-09-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.170.937/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:3920">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:3920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-04T10:23:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2016:3920 Gerechtshof Amsterdam , 27-09-2016 / 200.170.937/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2016:3920:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2016:870. Hof beslist na uitlating dat beroep op verjaring (art. 3:307 BW) slaagt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2016:3920:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 200.170.937/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer rechtbank Amsterdam: 1372623 CV EXPL 12-25138</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 september 2016</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">LASER NEDERLAND B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>advocaat: mr. R.E. Koopman te ‘s-Hertogenbosch,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>advocaat: mr. M.C. Krau te Ouderkerk aan de Amstel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna LaSer en [geïntimeerde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak heeft het hof op 8 maart 2016 een tussenarrest uitgesproken. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter uitvoering van het tussenarrest heeft LaSer, onder overlegging van producties, een akte genomen. [geïntimeerde] heeft vervolgens, onder overlegging van een productie, een antwoordakte genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte is arrest gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Verderebeoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In het tussenarrest heeft het hof als slotsom overwogen dat de hoofdvordering van LaSer in beginsel voor de helft toewijsbaar is, maar dat nog ter beoordeling staat of het beroep van [geïntimeerde] op verjaring uiteindelijk aan toewijsbaarheid in de weg staat. Aan het desbetreffende verweer heeft het hof enkele - omdat LaSer op het beroep op verjaring van [geïntimeerde] nog niet had kunnen reageren: voorlopige - beschouwingen gewijd, waarna het hof LaSer in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten op dit punt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het hof volhardt bij deze eerder gegeven voorlopige beschouwingen, nu LaSer in haar akte geen argumenten heeft genoemd die het hof aanleiding geven terug te komen daarvan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>LaSer beroept zich op vier brieven, waarmee zij zich naar haar stelling steeds tot [geïntimeerde] heeft gewend om betaling te verkrijgen. Deze brieven zijn onderscheidenlijk gedateerd 23 mei 2009, 18 juni 2009, 27 juni 2009 en 16 juli 2009.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het er om gaat of van de zijde van LaSer de verjaring is gestuit in de periode van 5 april 2006 tot 21 juli 2015, de datum waarop LaSer de memorie van grieven heeft genomen. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat de inleidende dagvaarding van 1 augustus 2012 geen stuitende werking heeft gehad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Al aangenomen dat de door LaSer bij haar akte overgelegde brieven stuitende werking hebben gehad (hierin valt geen beroep op artikel 1:102 (oud), tweede zin, BW te lezen), moet worden vastgesteld dat tussen de datering van de laatste brief (16 juli 2009) en 21 juli 2015 een periode van meer dan vijf jaar is verstreken, zodat het beroep van LaSer op deze brieven reeds om die reden faalt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>LaSer heeft nog naar voren gebracht dat er regelmatig telefonisch overleg is geweest om betalingsregelingen te treffen, die werden gemaakt en vervolgens niet werden nagekomen. Mogelijk heeft LaSer hiermee willen betogen dat de verjaring is gestuit door erkenning van haar vorderingsrecht door [geïntimeerde] . In dit betoog kan LaSer echter niet worden gevolgd, reeds omdat zij heeft nagelaten haar betoog voldoende toe te lichten. Zo heeft zij nagelaten de data te noemen waarop deze door haar mogelijk bedoelde stuitingshandelingen hebben plaatsgehad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De slotsom luidt dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring inderdaad in de weg staat aan toewijzing van de vordering van LaSer voor zover deze in het tussenarrest in beginsel toewijsbaar werd geoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Nu in het tussenarrest reeds was overwogen dat de vordering voor het overige grondslag mist, zal het bestreden eindvonnis worden bekrachtigd en zal LaSer worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de bestreden vonnissen van 28 juni 2013 en 18 december 2014;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt LaSer in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 311,- wegens verschotten en € 1.737,- wegens salaris;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, R.J.F. Thiessen en S.F. Schütz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 september 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>