<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2016:2730</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-11T12:23:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-001418-13</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:2730">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:2730</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-11T12:15:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2016:2730 Gerechtshof Amsterdam , 22-04-2016 / 23-001418-13</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2016:2730:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming. Hypotheekfraude.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2016:2730:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Parketnummer: 23-001418-13 </para>
    <para>Datum uitspraak: 22 april 2016 </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>TEGENSPRAAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2013 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-520086-09 tegen de veroordeelde</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedag] 1966, </para>
      <para>adres: [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 105.176,66.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2013 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte, oplichting, poging tot oplichting en witwassen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 13 maart 2013 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 101.291,11 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 april 2016 veroordeeld terzake van </para>
      <para>– kort gezegd – valsheid in geschrift, (poging tot) oplichting  en witwassen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2014, 5 december 2014, 10 april 2015, 8 april 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 95.449,78 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep een andere berekening voorgesteld die neerkomt op een door de veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel van € 18.276,50. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt voorop dat in de strafzaak tot andere bewezenverklaringen is gekomen dan in het vonnis in de strafzaak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2013. Dat betekent dat het hof de uitbetalingen uit het bouwdepot niet zal betrekken bij  de schatting van het wederrechtelijk voordeel en in het verlengde hiervan geen rekening zal houden met kosten die hiermee gemoeid (hadden moeten) zijn geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof neemt de oplichting, waaruit de veroordeelde de hypothecaire lening heeft verkregen, als basis  voor het berekenen van  het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het door middel van en uit de baten van dit strafbare feit verkregen voordeel dient de veroordeelde dientengevolge te worden ontnomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de door de raadsman gestelde kosten premie assurantiekosten en de overlijdensrisico-verzekering overweegt het hof als volgt. Het afdekken van het overlijdensrisico is een voorwaarde geweest voor hypotheekverstrekking. Het totaal aan overlijdensrisicopremie dat door de veroordeelde is betaald, komt door dit directe verband  voor kostenaftrek in aanmerking. Dat de veroordeelde de keuze heeft gemaakt de hypothecaire lening afhankelijk te laten zijn van een beleggingsresultaat komt daarentegen voor zijn eigen risico evenals de kosten die daarmee verband houden nu dit  geen kosten zijn die de veroordeelde noodzakelijkerwijs heeft moeten maken ter verkrijging van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof komt tot de volgende berekening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Berekening</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wederrechtelijk voordeel:</emphasis>
      </para>
      <para>	Opbrengst verkoop pand			€ 835.295,24</para>
      <para>	Ontvangen schadevergoeding			€     5.273,64</para>
      <para>	Belasting voordeel (aftrek hypotheekrente)	€   11.356,00</para>
      <para>	Ontvangen rente op bouwdepot			€   21.411,00</para>
      <para>							----------------</para>
      <para>	Totaal						€ 873.335,88</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten:</emphasis>
      </para>
      <para>	Restsom geldlening				€ 592.012,23</para>
      <para>	Betaalde hypotheekrente			€   71.305,00</para>
      <para>Overige kosten verkoop				€   44.194,95</para>
      <para>	VVE-kosten					€     6.435,00</para>
      <para>	Afsluitkosten					€     5.823,25</para>
      <para>Gemeentelijke heffingen			€     1.710,00</para>
      <para>	Overlijdensrisicoverzekering			€     1.681,92</para>
      <para>							----------------</para>
      <para>	Totaal						€ 723.162,35</para>
      <para>Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 873.335,88 – € 723.162,35 = <emphasis role="bold">€ 150.173,53</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verplichting tot betaling aan de staat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat in de ontnemingszaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Ook in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak, in welke zaak het hof heden eveneens uitspraak doet, is de redelijke termijn overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden wordt door het hof toegepast in de strafzaak. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om in de onderhavige ontnemingszaak eveneens consequenties te verbinden aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Het hof zal in de ontnemingszaak dan ook volstaan met  louter de constatering dat de redelijke termijn is geschonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de strafzaak is de vordering van de veroordeelde op ABN AMRO Bank voor bankrekening 50.96.31.487 ter waarde van € 91.678,47 verbeurdverklaard. De waarde van deze vordering zal van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgetrokken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande dient de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van </para>
      <para>€ 58.495,06. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijk wettelijk voorschrift</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">150.173,53 (honderdvijftigduizend honderddrieënzeventig euro en drieënvijftig cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de veroordeelde de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 58.495,06 (achtenvijftigduizend vierhonderdvijfennegentig euro en zes cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 april 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [........]
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>