<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2015:4039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-12-18T12:59:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.169.615/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:4039">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:4039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-12-18T12:56:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2015:4039 Gerechtshof Amsterdam , 29-09-2015 / 200.169.615/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2015:4039:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Zekerheidstelling? Art. 224Rv. Dat de verweerder in het incident niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen, betekent nog niet dat hij zonder woon- of gewone verblijfplaats in Nederland is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2015:4039:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>arrest</para>
    <para>___________________________________________________________________ _ _</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 					: 200.169.615/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland	: 2932493 \ CV EXPL 14-1170</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2015 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [APPELLANT]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats],</para>
      <para>appellant in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerder in het incident,</para>
      <para>advocaat: <emphasis role="underline">mr. H.L. Thiescheffer</emphasis> te Leeuwarden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [GEÏNTIMEERDE]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats],</para>
      <para>geïntimeerde in de hoofdzaak, </para>
      <para>eiser in het incident,</para>
      <para>advocaat: <emphasis role="underline">mr. E.T. van den Hout</emphasis> te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] is bij dagvaarding van 22 januari 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 22 oktober 2014 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:</para>
    </parablock>
    <para>- memorie van grieven, met producties; </para>
    <para>- incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak, met producties;</para>
    <para>- conclusie van antwoord in het incident, met een productie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft incidenteel gevorderd dat [appellant] zekerheid zal stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan [appellant] in de hoofdzaak veroordeeld zou kunnen worden, primair door het stellen van een bankgarantie van een Nederlandse bank naar het model van de Nederlandse Vereniging van Banken, subsidiair door bijschrijving op de derdengeldrekening van het kantoor van de advocaat van [geïntimeerde], dan wel een andere door het hof aan te wijzen derdengeldrekening, en meer subsidiair in een door het hof in goede justitie te bepalen vorm, telkens voor een bedrag van € 4.487,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander binnen vijf dagen na het in deze te wijzen arrest in incident, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, met veroordeling van [appellant] in de (na)kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidentele vordering tot zekerheidstelling, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering tot zekerheid heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellant] thans (kennelijk) geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Daartoe wijst [geïntimeerde] op een door hem in hoger beroep als productie 1 overgelegd e-mailbericht van 1 juli 2015 van de met betekening en executie van het bestreden vonnis belaste deurwaarder, waaruit blijkt dat [appellant] niet in Nederland staat ingeschreven. [geïntimeerde] stelt dat hij recht en belang heeft bij toewijzing van zijn incidentele vordering, omdat het verhaal van de proceskosten -  zoals reeds is gebleken bij het innen van de kosten van de eerste aanleg waarin [appellant] is veroordeeld - ernstig wordt bemoeilijkt doordat [appellant] (kennelijk) geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft, althans zich kennelijk schuil houdt voor schuldeisers zoals [geïntimeerde]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [appellant] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Doel van de regeling is te voorkomen dat verhaal van proceskosten wordt bemoeilijkt doordat de daartoe veroordeelde eiser (in hoger beroep: appellant) het centrum van zijn sociale en economische activiteiten buiten Nederland heeft (Vgl. Parlementaire geschiedenis, Herziening Rv, p. 393).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para> Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de enkele door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheid dat [appellant] niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen, voorheen de gemeentelijke basisadministratie, onvoldoende is om aan te nemen dat [appellant] geen woon- of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond hiervan zal de incidentele vordering tot zekerheidstelling van [geïntimeerde] worden afgewezen. De op grond van het tweede lid van artikel 224 Rv gebaseerde verweren van [appellant] kunnen onbesproken blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor partijberaad.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering af; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 13 oktober 2015 voor partijberaad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en G.C. Boot en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>