<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2015:3175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-04T10:08:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-08-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-08-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.130.108/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2015/2362</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2016/1</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2016/148</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:3175">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:3175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-27T12:54:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2015:3175 Gerechtshof Amsterdam , 04-08-2015 / 200.130.108/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2015:3175:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Internationaal privaatrecht. Bestond de rechtspersoon die het onderhavige hoger beroep instelde, ten tijde van de appeldagvaarding? Vraag te beantwoorden naar Zuidafrikaans recht. Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:3062 en ECLI:NL:GHAMS:2017:2546.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2015:3175:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>arrest</para>
    <para>___________________________________________________________________ _ _</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 200. 130.108/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rol- en zaaknummers rechtbank Amsterdam: 487657 / HA ZA 11 - 1106</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2015</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar buitenlands recht </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">EMPERICA MARKETING (PTY) LTD,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Johannesburg (Zuid-Afrika),</para>
      <para>APPELLANTE in de hoofdzaak,</para>
      <para>VERWEERSTER in het incident,</para>
      <para>advocaat: <emphasis role="underline">mr. J. Stikkelbroeck te Amsterdam</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STARBUCKS COFFEE EMEA B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>GEÏNTIMEERDE in de hoofdzaak,</para>
      <para>EISERES in het incident,</para>
      <para>advocaat: <emphasis role="underline">mr. J. Bedaux.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Partijen worden hierna Emperica en Starbucks genoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Emperica is bij dagvaarding van 4 juni 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2013, in deze zaak gewezen tussen haar als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Starbucks als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:</para>
      <para>- memorie van grieven, met producties;</para>
      <para>- memorie van antwoord, tevens houdende incidentele memorie tot niet-ontvankelijkheid, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;</para>
      <para>- antwoordmemorie in het incident;</para>
      <para>- memorie van antwoord in incidenteel appel, teven nadere akte in het incident;</para>
      <para>- akte in principaal appel tevens akte in incident.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 3 februari 2013 hebben partijen de zaak in het incident doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, de advocaat van Starbucks aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Starbucks heeft daarbij nog een productie in het geding gebracht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de in het geding gebrachte Zuid-Afrikaanse jurisprudentie.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Starbucks heeft daarna een akte genomen met drie producties. Emperica heeft vervolgens een akte genomen met één productie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Starbucks heeft in het incident geconcludeerd dat het hof Emperica niet ontvankelijk verklaart in het hoger beroep en, uitvoerbaar bij voorraad, Emperica, althans de heren             L. Lipschitz en D. Taylor, althans de heer J. Stikkelbroek in de kosten van het incident veroordeelt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Emperica heeft in het incident geconcludeerd dat het hof oordeelt dat zij rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld en Starbucks, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt in de kosten van het incident.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Emperica is op 1 maart 2013 uitgeschreven uit de <emphasis role="italic">companies register </emphasis>bij de Companies and Intellectual Property Commission te Zuid -Afrika (<emphasis role="italic">deregistration</emphasis>) wegens het niet indienen van de <emphasis role="italic">annual return</emphasis>. Naar tussen partijen niet in geschil is, heeft dit tot gevolg gehad dat Emperica naar Zuid-Afrikaans recht aldus is opgehouden te bestaan. Nadien is Emperica <emphasis role="italic">re-instated </emphasis>en weer ingeschreven, ingevolge waarvan, naar eveneens niet in geschil is, zij naar Zuid-Afrikaans recht weer tot leven is gekomen. In de tussentijd is door haar voornoemde advocaat namens Emperica het onderhavige hoger beroep ingesteld. Starbucks stelt zich op het standpunt dat dit hoger beroep niet rechtsgeldig is ingesteld, en dat Emperica daarin niet ontvankelijk is, omdat Emperica ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet bestond. De <emphasis role="italic">re-instatement </emphasis>van Emperica maakt dat niet anders, omdat, aldus Starbucks, daaraan naar Zuid-Afrikaans recht geen terugwerkende kracht is verbonden. Emperica stelt zich daarentegen op het standpunt dat naar Zuid-Afrikaans recht aan de <emphasis role="italic">re-instatement</emphasis> wel terugwerkende kracht is verbonden, zodat zij wel (thans achteraf beschouwd) beschikte over de bekwaamheid om (opdracht te geven om) hoger beroep in te stellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het hof zal deze kwestie, overeenkomstig het standpunt van partijen, dienen te beoordelen naar het recht van Zuid-Afrika. De vraag of Emperica ten tijde van het instellen van het hoger beroep bestond, in die zin dat zij tot het rechtsgeldig verrichten van rechtshandelingen als hier aan de orde in staat was, dient immers beoordeeld te worden naar het recht van de plaats van haar vestiging, te weten Johannesburg, Zuid-Afrika. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Partijen hebben een aantal vonnissen van rechters in Zuid-Afrika in het geding gebracht en aan de hand daarvan bepleit dat de <emphasis role="italic">re-instatement </emphasis>geen (volgens Starbucks), respectievelijk juist wel (volgens Emperica), terugwerkende kracht heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Het hof stelt aan de hand van deze vonnissen vast dat onder de oude Zuid-Afrikaanse <emphasis role="italic">Companies Act</emphasis> een <emphasis role="italic">re-instatement </emphasis>uitdrukkelijk bepaald terugwerkende kracht had, doch dat na wetswijziging in de betrokken bepalingen deze uitdrukkelijke terugwerkende kracht is komen te vervallen. Aldus bestaat, blijkens de overgelegde vonnissen, verschil van opvatting over de vraag of deze terugwerkende kracht nog steeds geldt, of dat met de wetswijziging is beoogd dat deze thans juist niet meer geldt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Starbucks heeft zich (onder meer) beroepen op het meest recente vonnis, dat van de The Supreme Court of Appeal of South Africa van 15 mei 2014 in de zaak tussen Fintech (PTY) Ltd tegen Awake Solutions (PTY) Ltd en anderen (de Fintech uitspraak). Deze uitspraak biedt evenwel geen houvast, omdat daarin door dat gerecht niet is beslist over de al dan niet terugwerkende kracht van de <emphasis role="italic">re-instatement</emphasis>, maar over de (on)geldigheid van de <emphasis role="italic">deregistration. </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Het hof komt, na lezing van de ingebrachte vonnissen, tot de overtuiging dat, naar het zich laat aanzien, de hierna in 2.7 volgende opvatting in Zuid-Afrika het meest ingang heeft gevonden. Deze opvatting is immers te vinden in:</para>
      <para>- het vonnis van de <emphasis role="italic">South Gauteng High Court</emphasis>, Johannesburg (Van Oosten J), waarvan de Fintech uitspraak het hoger beroep was;</para>
      <para>- het vonnis van de <emphasis role="italic">High Court of South Afrika Kwazulu-Natal Local Division</emphasis>, Durban (Koen J) van 20 maart 2014.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Deze opvatting komt er, samengevat, op neer dat naar het huidige Zuid-Afrikaanse recht, een <emphasis role="italic">re-instatement </emphasis>geen terugwerkende kracht heeft, in die zin dat de vennootschap niet (zonder meer) geacht moet worden steeds over alle bekwaamheden te hebben beschikt alsof er nimmer een <emphasis role="italic">deregistration </emphasis>had plaats gevonden, waardoor in beginsel alle handelingen in de tussentijd zonder rechtsgevolg zijn, maar dat ingevolge het nieuwe recht - artikel 83 (4) onder (a) van de<emphasis role="italic"> Companies Act</emphasis> - de rechter op verzoek van elke belanghebbende partij een <emphasis role="italic">order</emphasis> kan geven "<emphasis role="italic">that is just and equitable in the circumstances</emphasis>", waaronder begrepen een bepaling dat bepaalde (in de order te omschrijven) in de tussentijd verrichte handelingen wél rechtsgevolg hebben. Zowel de <emphasis role="italic">South Gauteng High Court </emphasis>als<emphasis role="italic"> de High Court of South Afrika Kwazulu-Natal Local Division </emphasis>hebben in de voornoemde vonnissen zo een <emphasis role="italic">order</emphasis> gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Het hof  kan een dergelijke <emphasis role="italic">order</emphasis> op grond van artikel 83 (4) onder (a) van de Zuid-Afrikaanse<emphasis role="italic"> Companies Act</emphasis>, niet zelf geven. Nog daargelaten de vraag of het hof daartoe (internationaal) bevoegd zou zijn heeft Emperica daar niet om gevraagd en moeten in een dergelijke procedure, zoals uit het voornoemde vonnis van de <emphasis role="italic">South Gauteng High Court</emphasis> volgt, daarvoor alle belanghebbende partijen in het geding  worden opgeroepen (Alinea 42 van dat vonnis: "(…) <emphasis role="italic">All the interested parties have been cited. (…)</emphasis>"). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat, nu de betrokken Zuid-Afrikaans wettelijke bepalingen er aldus vanuit gaan dat de rechter, die dient te beslissen over kwesties afhankelijk van in de tussentijd verrichte handelingen, desgevraagd tevens kan beslissen dat deze handelingen rechtskracht hebben, terwijl daaraan geen recht zou worden gedaan indien het hof hier zonder meer de niet-ontvankelijkheid van Emperica zou uitspreken, de eisen van een goede procesorde meebrengen dat Emperica in de gelegenheid wordt gesteld om aan een bevoegde rechter in Zuid-Afrika een <emphasis role="italic">order</emphasis> te vragen (dan wel te laten vragen door een belanghebbende) die meebrengt dat het onderhavige hoger beroep namens haar rechtsgeldig is ingesteld. De beslissing van de Zuid-Afrikaanse rechter kan de meest gerede partij dan vervolgens in het geding brengen, aan de hand waarvan het hof zal beslissen (waarbij het in de rede ligt te veronderstellen dat als de order wordt gegeven, Emperica ontvankelijk zal worden geoordeeld in dit hoger beroep, maar dat als die wordt geweigerd, Emperica niet-ontvankelijk zal worden geoordeeld).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 22 december 2015 voor akte als in 2.9 bedoeld;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en J.W.M. Tromp en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 4 augustus 2015. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>