<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2015:1072</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-04T10:06:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-03-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.162.807</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=332">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 332</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RBP 2015/56</rdf:li>
          <rdf:li>JBPr 2015/69 met annotatie van mr. H.W. Wiersma</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:1072">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:1072</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-05-20T13:20:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2015:1072 Gerechtshof Amsterdam , 24-03-2015 / 200.162.807</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2015:1072:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep van vonnis A en vonnis B. Vonnis B is een deelvonnis. Nu het appel tegen het eindvonnisgedeelte is gericht, kan de appellante daarin worden ontvangen. Dat brengt met zich mee dat ook tegen het tussenvonnisgedeelte, en bovendien ook tegen het eerdere vonnis A, grieven kunnen worden gericht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2015:1072:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>arrest</para>
    <para>___________________________________________________________________ _ _</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team II</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer			: 200.162.807/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rolnummer rechtbank Amsterdam		: CV 13-5173</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2015</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X] FASTFOOD B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>advocaat: mr. M. Dekker te Purmerend,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de commanditaire vennootschap <emphasis role="bold">VICTORIA HOTEL C.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>advocaat: mr. B.S. Friedberg te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij dagvaarding van 8 januari 2015 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen onder bovengenoemd rolnummer gewezen vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2014 en 24 oktober 2014. </para>
      <para>Appellante heeft de zaak aangebracht op de rol van 27 januari 2015. </para>
      <para>Bij rolbeslissing van 29 januari 2015 is appellante in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 10 februari 2015 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde bij akte zal mogen reageren.</para>
      <para>Appellante heeft zich op 10 februari 2015 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.</para>
      <para>Geïntimeerde heeft op 24 februari 2015 een antwoordakte genomen.</para>
      <para>Arrest is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Motivering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 337 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan van een tussenvonnis slechts hoger beroep tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter in het vonnis of bij afzonderlijke beslissing anders heeft bepaald of sprake is van een vonnis waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij het bestreden vonnis van 20 juni 2014 heeft de kantonrechter, onder meer, overwogen dat de primair door geïntimeerde gevorderde verklaring voor recht zal worden geweigerd, dat met betrekking tot haar subsidiaire vordering een deskundige zal worden benoemd en dat         - voor het geval dat de subsidiaire, op tekortkomingen van appellante gebaseerde vordering van geïntimeerde wordt afgewezen - de meer subsidiaire vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst tussen partijen op grond van dringend eigen gebruik zal worden toegewezen. In het dictum van dat vonnis (in conventie en reconventie) heeft de kantonrechter partijen slechts opgeroepen voor een comparitie. De kantonrechter heeft, kort gezegd en voor zover thans van belang, in het dictum van het bestreden vonnis van 24 oktober 2014 (in conventie) de primair door geïntimeerde gevorderde verklaring voor recht geweigerd (I), bepaald - voorwaardelijk, voor het geval dat de subsidiaire vordering van geïntimeerde zal worden afgewezen - dat de huurovereenkomst tussen partijen op 1 januari 2015 eindigt op grond van een dringende noodzaak van eigen gebruik door geïntimeerde (II), zulks met veroordeling van appellante - evenzeer voorwaardelijk - tot ontruiming van het gehuurde (III) en deskundigen benoemd (IV).  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof is, anders dan geïntimeerde bij akte heeft betoogd, van oordeel dat het bestreden vonnis van 24 oktober 2014 geen zuiver tussenvonnis maar een gedeeltelijk eindvonnis (deelvonnis) is. De kantonrechter heeft immers in het dictum van dat vonnis aan het geding in conventie omtrent een deel van het gevorderde een einde gemaakt (I, II en III) en ten aanzien van het resterende deel een tussenbeslissing (IV) genomen. Dat aan de toewijzing van de meer subsidiaire vordering (II) en van de vordering tot ontruiming (III) een voorwaarde is verbonden, leidt niet tot een ander oordeel. Die voorwaarde neemt namelijk niet weg dat de kantonrechter ten aanzien van die onderdelen van de vordering een definitieve, in het dictum opgenomen beslissing heeft genomen. Doch zelfs als dit anders zou zijn, blijft overeind dat over de vordering onder I in het dictum een definitieve beslissing is genomen. Van het bij het bestreden vonnis van 24 oktober 2014 gewezen eindvonnis is appellante terecht direct binnen de daarvoor geldende termijn in hoger beroep gekomen. Tegen het interlocutoire deel van dit vonnis kan appellante desgewenst ook grieven richten. Het bestreden vonnis van 20 juni 2014 is wel een zuiver tussenvonnis dat bindende eindbeslissingen bevat. Van die eindbeslissingen komt appellante thans eveneens terecht, want conform de hiervoor onder 2.1 weergegeven hoofdregel van artikel 337 Rv, in hoger beroep tegelijk met dat van het eindvonnis van de kantonrechter in het deelvonnis van 24 oktober 2014.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat appellante in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie van grieven door appellante. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2015 voor het nemen van een memorie van grieven door appellante;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en C.C. Meijer en uitgesproken in het openbaar door de rolraadsheer op 24 maart 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>