<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2014:6108</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T08:59:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-11-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/90106 en 99/90107</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2015:3227" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3227, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0002538&amp;g=2015-04-01">Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, Brussel, 14-06-1983</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Douanerechtspraak 2015/230</rdf:li>
          <rdf:li>DouaneUpdate 2015-0199</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2015110606</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:6108">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:6108</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-04-01T12:24:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2014:6108 Gerechtshof Amsterdam , 13-11-2014 / 99/90106 en 99/90107</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2014:6108:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Douanerechten. Indeling aan de hand van indelingsregel 3b is naar het oordeel van het Hof niet mogelijk. Het apparaat wordt op de markt gebracht als multifunctionele fax/printer/copier/scanner. Het faxmodem is wel uitsluitend toe te rekenen aan de faxfunctie maar het apparaat ontleent aan het faxmodem niet zijn wezenlijk karakter. De bestreden UTB's zijn terecht aan belanghebbende uitgereikt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2014:6108:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>GERECHTSHOF TE AMSTERDAM</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Douanekamer</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitspraak</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>in de zaaknrs. 99/90106 en 99/90107</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>de dato 13 november 2014</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. De procedure</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Zaaknummer 99/90106</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1.1. Op 25 mei 1999 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift</para>
    <para>ingekomen van mr. N.P.J. Ooyevaar van KPMG Meijburg &amp; Co te Amstelveen,</para>
    <para>namens [belanghebbende] te [vestigingsplaats], belanghebbende.</para>
    <para>Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de</para>
    <para>Belastingdienst/Douane district Roermond (hierna: de inspecteur) van 16 april 1999,</para>
    <para>kenmerk 3 8-85 3, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot</para>
    <para>betaling (hierna: UTB), gedagtekend 27april1996, met kenmerk [nummer], ten</para>
    <para>bedrage van f 126.870,00 (€ 57.571,10) aan douanerechten, werd afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1 .2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een</para>
    <para>griffierecht van f 150 (€ 68,07) geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift</para>
    <para>ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend met dagtekening</para>
    <para>17januari 2001. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij conclusie van dupliek met</para>
    <para>dagtekening 23 februari 2001.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Zaaknummer 99/90107</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.2.1. Op 25 mei 1999 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift</para>
    <para>ingekomen van belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de</para>
    <para>inspecteur van 16 april 1999, kenmerk 38-87 B, waarbij het bezwaar van</para>
    <para>belanghebbende tegen de UTB, gedagtekend 30 mei 1996, met kenmerk</para>
    <para>
      [nummer], ten bedrage van f470.725,40 (€213.605,87) aan douanerechten,</para>
    <para>werd afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.2.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een</para>
    <para>griffierecht van f150 (€ 68,07) geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift</para>
    <para>ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend met dagtekening</para>
    <para>17januari 2001. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij conclusie van dupliek met</para>
    <para>dagtekening 23 februari 2001.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met</para>
    <para>ingang van 1januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de</para>
    <para>plaats getreden van de Tariefcommissie.</para>
    <para>1.4. De behandeling van de beroepen is op eenparig en herhaald verzoek van partijen</para>
    <para>aangehouden in afwachting van de beroepsprocedures die hebben geleid tot de arresten</para>
    <para>van de Hoge Raad van 1 maart 2013, nrs. 11/02062 (ECLI:NL:HR:2013:BZ2688) en</para>
    <para>11/02134 (ECLI:NL:HR:2013:BZ2693).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.5. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een nader stuk ingediend, bij het</para>
    <para>Hof ingekomen op 17 september 2014. De inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting</para>
    <para>een nader stuk ingediend, bij het Hof ingekomen op 26 september 2013. Afschriften</para>
    <para>van beide stukken zijn aan de wederpartij gestuurd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2014. Van het</para>
    <para>verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Met deze zaken zijn ter</para>
    <para>zitting gelijktijdig behandeld de zaken met de nummers 99/90 108 en 02/04473.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>2. Feiten</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.1. Belanghebbende maakt voor het opstellen van haar periodieke douane-aangiften</para>
    <para>gebruik van een zogeheten ‘relatiebestand’, dat de door haar gevoerde producten met</para>
    <para>de bijbehorende tariefcodes omvat. Bij een controle van dit relatiebestand heeft de</para>
    <para>inspecteur geconstateerd dat het apparaat met de handelsnaam “[naam]”, ook</para>
    <para>aangeduid als “[naam], ten onrechte is ingedeeld onder GN-onderverdeling</para>
    <para>8471 6090 (in- en uitvoereenheden voor computers, andere). De inspecteur stelt zich</para>
    <para>op het standpunt dat indeling dient plaats te vinden onder GN-onderverdeling $517</para>
    <para>2100 (faxapparaat). Deze correctie van de tariefindeling heeft geresulteerd in de onder</para>
    <para>1.1.1 genoemde UTB (zaaknummer 99/90106).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.2. Naar aanleiding van de onder 2.1 vermelde constatering heeft de inspecteur de</para>
    <para>door belanghebbende ingediende maandaangiften onderzocht. Daarbij is gebleken dat</para>
    <para>een aantal exemplaren van het onder 2.1 omschreven apparaat, de “[naam]”, ten</para>
    <para>onrechte niet in de maandaangiften van belanghebbende zijn opgenomen. Dit heeft</para>
    <para>geresulteerd in de onder 1.2.1 genoemde UTB (zaaknummer 99/90107).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.3. Tot de stukken van het geding behoort een brochure waarin onder meer het</para>
    <para>volgende is vermeld:</para>
    <para>“[naam]. De multifunctionele gewoon papier fax/printer/copier en scanner</para>
    <para>• Volledig uitgeruste, hoge snelheid gewoon papier fax</para>
    <para>• Hoge resolutie (300 dpi) desktop inkjet printer</para>
    <para>• Digitale copier met excellente afdrukken</para>
    <para>• Document scanner en PC/fax-aansluiting (optioneel).</para>
    <para>Het multifunctionele [naam] en intelligente [nummer] systeem is de ideale partner voor</para>
    <para>werkgroepen en de kleine kantooromgeving. Dit veelzijdige en uiterst produktieve</para>
    <para>‘multitasking’ apparaat faxt, print en kopieert op gewoon papier en kan worden uitgebreid</para>
    <para>met opties die scannen en faxen op de PC mogelijk maken. Kortom, de [naam] zorgt</para>
    <para>in zijn eentje voor al uw documenten.”</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3. Geschil</para>
  <parablock>
    <para>Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag in welke post van het</para>
    <para>Geharmoniseerd Systeem (GS) het onderhavige apparaat moet worden ingedeeld.</para>
    <para>Belanghebbende bepleit dat het product moet worden ingedeeld in GS-post 8471 60,</para>
    <para>primair op grond van indelingsregel 1 en subsidiair ingevolge indelingsregel 3b.</para>
    <para>De inspecteur staat indeling onder GS-post 8517 21 voor, primair op grond van</para>
    <para>indelingsregel 1 en subsidiair op grond van indelingsregel 3c.</para>
    <para>Niet in geschil is dat ingeval het gelijk aan belanghebbende is, de UTB’s dienen te</para>
    <para>worden vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>4. Relevante bepalingen</para>
  <parablock>
    <para>De toepasselijke bepalingen van de GS luiden als volgt.</para>
    <para>Aantekening 3 en 5 op afdeling XVI</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3. Voor zover niet anders is bepaald, worden combinaties van machines van verschillende</para>
  <parablock>
    <para>soorten, die bestemd zijn om gezamenlijk te functioneren en die een geheel vormen,</para>
    <para>alsmede machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies,</para>
    <para>ingedeeld naar de hoofdfunctie die kenmerkend is voor het complex.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>5. Voor de toepassing van vorenstaande aantekeningen heeft het woord ‘machines’ zowel</para>
  <parablock>
    <para>betrekking op machines als op de verschillende toestellen, apparaten, uitrustingen en</para>
    <para>werktuigen, bedoeld bij hoofdstuk 84 of 85.</para>
    <para>Aantekening 5B tot en met 5D op hoofdstuk 84</para>
    <para>B. Automatische gegevensverwerkende machines kunnen voorkomen in de vorm van</para>
    <para>systemen bestaande uit een variabel aantal afzonderlijke eenheden. Met inachtneming van</para>
    <para>het bepaalde in letter E hierna, wordt een eenheid als een deel van een compleet systeem</para>
    <para>aangemerkt, indien zij aan alle hiervoor omschreven voorwaarden voldoet, te weten:</para>
  </parablock>
  <para>a. a) zij moet van de soort zijn die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een</para>
  <para>automatisch gegevensverwerkend systeem;</para>
  <para>b) zij moet, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenschakeling van een of meer andere</para>
  <para>eenheden, op de centrale verwerkingseenheid kunnen worden aangesloten, en</para>
  <para>c) zij moet in staat zijn gegevens te ontvangen of te leveren in een vorm — codes of</para>
  <parablock>
    <para>signalen — die bruikbaar is voor het systeem.</para>
    <para>C. Afzonderlijk aangeboden eenheden van een automatische gegevensverwerkende</para>
    <para>machine worden onder post 8471 ingedeeld.</para>
    <para>D. Afdrukkers, toetsenborden, invoertoestellen met X-Y-coördinaten en</para>
    <para>schijvengeheugeneenheden die voldoen aan het bepaalde in letter B, onder b) en c),</para>
    <para>hiervoor, zijn in alle gevallen in te delen als eenheden bedoeld bij post 8471.</para>
    <para>GS-onderverdeling 8471 60</para>
    <para>8471 Automatische gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor; magnetische</para>
    <para>en optische lezers, machines voor het in gecodeerde vorm op dragers overzetten van</para>
    <para>gegevens en machines voor het verwerken van die gegevens, elders genoemd noch elders</para>
    <para>onder begrepen:</para>
    <para>(...)</para>
    <para>8471 60 — invoereenheden en uitvoereenheden, ook indien zij in dezelfde behuizing</para>
    <para>geheugeneenheden bevatten:</para>
    <para>(...)</para>
    <para>GS-onderverdeling 8517 21</para>
    <para>8517 Elektrische toestellen voor lijntelefonie en voor lijntelegrafie, lijntelefoontoestellen</para>
    <para>met draagbare draadioze hoorn en toestellen voor telecommunicatie met draaggolf of voor</para>
    <para>digitale telecommunicatie daaronder begrepen; videofoontoestelten:</para>
    <para>t...)</para>
    <para>— telekopieertoestellen en telexapparaten:</para>
    <para>$517 21 — — telekopieertoestellen</para>
    <para>(...)</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>5. Rechtsoverwegingen</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.1. Gelet op de omstandigheid dat met de [naam] (hierna: het apparaat) kopieën</para>
    <para>kunnen worden gemaakt, kan dit apparaat in beginsel worden ingedeeld in post 9009.</para>
    <para>Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat het apparaat zijn</para>
    <para>kopieermogelijkheid niet dankt aan objectieve eigenschappen waarvan het apparaat</para>
    <para>speciaal met het oog op die functie is voorzien en die het apparaat een geschiktheid</para>
    <para>geven voor het maken van fotokopieën. De kopieerfunctie is slechts een sequeel van</para>
    <para>de technische uitrusting voor de afdruk-, scan- en faxfunctie en dient daarom voor de</para>
    <para>indeling in het tarief buiten beschouwing te blijven (vgl. Hoge Raad 11januari 2008,</para>
    <para>nr. 42 298, r.o. 3.9 en 3.10, ECLI:NL:HR:2008:AZ9087).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.2. Met het apparaat kunnen afdrukken en scans van documenten worden gemaakt en</para>
    <para>kunnen faxberichten worden verzonden en ontvangen. Het apparaat beschikt daarmee</para>
    <para>over de objectieve kenmerken en eigenschappen van zowel een printer, een scanner</para>
    <para>(beide GS-onderverdeling 8471 60) als een telefax (G$-onderverdeling 8517 21).</para>
    <para>Anders dan belanghebbende heeft bepleit volgt uit aantekening 5D op hoofdstuk 84</para>
    <para>niet dat een dergelijk multifunctioneel apparaat, vanwege zijn afdrukfunctie, in post</para>
    <para>8471 dient te worden ingedeeld. Dit blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de</para>
    <para>Europese Unie van 11 december 2008, Kip Europe SA e.a. en Hewlett Packard</para>
    <para>International SARL, gevoegde zaken C-362/07 en C-363/07 (hierna: het arrest Kip</para>
    <para>e.a.), waarin het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat indeling van een</para>
    <para>multifunctioneel apparaat (print/scanlkopie), dat onder meer over een printfunctie</para>
    <para>beschikte, diende te geschieden met toepassing van aantekening 5B op hoofdstuk 84,</para>
    <para>waar nodig in combinatie met aantekening 3 op afdeling XVI.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.3. Vast staat dat het apparaat op een centrale verwerkingseenheid kan worden</para>
    <para>aangesloten en dan in staat is als uitvoereenheid (print)gegevens te ontvangen en als</para>
    <para>invoereenheid (scan)gegevens te leveren in een vorm die bruikbaar is voor een</para>
    <para>automatisch gegevensverwerkend systeem (scan-to-file). Vaststaat voorts dat het</para>
    <para>apparaat niet van de soort is die uitsluitend wordt gebruikt in een automatisch</para>
    <para>gegevensverwerkend systeem, omdat het apparaat ook, onafhankelijk van een</para>
    <para>dergelijk systeem, over een faxfunctie beschikt.</para>
    <para>Blijkens genoemd arrest Kip e.a. dient in dat geval op grond van aantekening 5B op</para>
    <para>hoofdstuk 84 te worden nagegaan of het apparaat van de soort is die ‘hoofdzakelijk’</para>
    <para>wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem. Daartoe moet</para>
    <para>worden beoordeeld of de faxfunctie ondergeschikt is aan de print- en scanfunctie dan</para>
    <para>wel of de faxfunctie even belangrijk is als beide andere functies (vgl. Kip e.a, punt 46).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.4. Belanghebbende heeft ter zake aangevoerd dat de faxfunctie ondergeschikt is aan</para>
    <para>de print- en scanfunctie, omdat de print- en scansnelheid hoger zijn dan de faxsnelheid</para>
    <para>en de normale faxresolutie lager is dan de standaard print- en scanresolutie. Het Hof</para>
    <para>volgt belanghebbende hierin niet. Zoals de Hoge Raad heeft gepreciseerd in zijn arrest</para>
    <para>van 1 maart 2013, nr. 11/02062, punt 4.3, dient voor de bepaling of de faxfunctie al</para>
    <para>dan niet ondergeschikt is aan de print- en scanfunctie te worden getoetst of het</para>
    <para>desbetreffende apparaat gebruikswensen op het gebied van telefaxen tot op (ten</para>
    <para>minste) gelijke hoogte kan vervullen als gebruikswensen op het gebied van printen en</para>
    <para>scannen. Hieruit volgt dat, anders dan belanghebbende voorstaat, geen vergelijking</para>
    <para>van prestaties (snelheid, resolutie) in absolute zin dient plaats te vinden.</para>
    <para>Partijen hebben zich ter zitting eenparig op het standpunt gesteld dat het apparaat</para>
    <para>beschikt over een volwaardige faxfunctie. Het Hof acht, gelet op de stukken van het</para>
    <para>geding en het verhandelde ter zitting, aannemelijk dat het apparaat destijds de</para>
    <para>gebruikswensen op het gebied van faxen ten minste op een vergelijkbaar niveau</para>
    <para>vervulde als de gebruikswensen op het gebied van printen en scannen, wat er verder</para>
    <para>ook zij van de stellingen van belanghebbende over de capaciteit van de sheetfeeder en</para>
    <para>de aanwezigheid van slechts één papierlade. Hieruit volgt dat de faxfunctie niet</para>
    <para>ondergeschikt is aan de print- en scanfunctie, zodat aantekening 5B op hoofdstuk 84</para>
    <para>niet tot indeling onder post 8471 dwingt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.5. Uit het arrest Kip e.a. en het arrest Hof van Justitie 17 mei 2001, C-1 19/99,</para>
    <para>Hewlett Packard B.V. (ECLI:EU:C:2001:277) volgt dat, indien aantekening 5B op</para>
    <para>hoofdstuk 84 niet tot indeling in post 8471 noopt en alle in aanmerking komende</para>
    <para>posten deel uitmaken van afdeling XVI ( hoofdstuk 84 en 85) van het GS, indeling —</para>
    <para>zo mogelijk — dient te geschieden met toepassing van aantekening 3 op afdeling XVI.</para>
    <para>Ingevolge aantekening 3 op afdeling XVI worden machines met twee of meer</para>
    <para>verschillende (afwisselende of aanvullende) functies ingedeeld naar de hoofdfunctie</para>
    <para>die kenmerkend is voor het complex. Nagegaan moet dus worden of de faxfunctie, de</para>
    <para>scanfunctie danwel de printfunctie de hoofdfunctie is. Het Hof overweegt ter zake als</para>
    <para>volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.6. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 april 2011, C-288/09, British Sky,</para>
    <para>(r.o. 76 en 77) volgt dat voor het bepalen van de hoofd- en nevenfunctie als bedoeld in</para>
    <para>aantekening 3 op afdeling XVI acht dient te worden geslagen op de inherente</para>
    <para>bestemming van de goederen en dat daarbij rekening moet worden gehouden met wat</para>
    <para>voor de consument hoofd- en bijzaak is.</para>
    <para>Blijkens de stukken van het geding wordt het apparaat op de markt gebracht als</para>
    <para>multifunctionele fax/printer/copier/scanner, een apparaat dat ‘in zijn eentje’ alle</para>
    <para>gebruikswensen ten aanzien van ‘al uw documenten’ vervult (vgl. 2.3). Mede gelet op</para>
    <para>de technische beschrijving van het apparaat acht het Hof daarom aannemelijk dat het</para>
    <para>apparaat (destijds) de gebruikswensen van de beoogde consument (‘werkgroepen en</para>
    <para>kleine kantooromgeving’, vgl. 2.3) op het gebied van faxen, scannen en printen op</para>
    <para>gelijkwaardige wijze vervulde, zodat het niet mogelijk is een hoofdfunctie in de zin</para>
    <para>van aantekening 3 op afdeling XVI aan te wijzen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.7. Nu het apparaat, gelet op het vorenoverwogene, met toepassing van indelingsregel</para>
  </parablock>
  <para>1. vatbaar is voor indeling onder meer dan één post, dient indeling te geschieden met</para>
  <para>toepassing van indelingsregel 3.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.8. Anders dan belanghebbende heeft betoogd is indeling aan de hand van</para>
    <para>indelingsregel 3b naar ‘s Hofs oordeel niet mogelijk. Weliswaar heeft belanghebbende</para>
    <para>ter zitting onweersproken gesteld dat het apparaat een samenvoeging is van een</para>
    <para>‘printmodule’, een ‘scanmodule’ en een faxmodem, doch de printmodule en de</para>
    <para>scanmodule zijn geen van beide meer toe te rekenen aan het gebruik als faxapparaat</para>
    <para>dan wel aan het gebruik als scanner of printer. Dat brengt mee dat niet op grond van</para>
    <para>het karakter van deze modules valt uit te maken of het apparaat in zijn geheel</para>
    <para>beschouwd, zijn wezenlijk karakter aan juist die module(s) ontleent (vgl. Hoge Raad 1</para>
    <para>maart 2013, nr. 11/02 134, r.o. 4.2.4). Het faxmodem is wel uitsluitend toe te rekenen</para>
    <para>aan de faxfunctie, maar aan dit onderdeel, dat zowel wat betreft waarde als wat betreft</para>
    <para>omvang van zeer geringe betekenis is, ontleent het apparaat naar het oordeel van het</para>
    <para>Hof— in navolging van partijen — niet zijn wezenlijk karakter.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>5.9. Nu indeling aan de hand van regel 3b niet mogelijk is, dient ingevolge</para>
    <para>indelingsregel 3c de post te worden toegepast die in volgorde van nummering het</para>
    <para>laatst is geplaatst, hetgeen resulteert in indeling van het apparaat in G$-onderverdeling</para>
    <para>8517 21. De bestreden UIB’ s zijn derhalve terecht aan belanghebbende uitgereikt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Slotsom</para>
    <para>Op grond van het vorenoverwogene komt het Hof tot het oordeel dat de beroepen</para>
    <para>ongegrond moeten worden verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Proceskosten</para>
  <parablock>
    <para>Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een der partijen in de</para>
    <para>proceskosten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>7. Beslissing</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het Hof verklaart de beroepen ongegrond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M.</para>
    <para>Vrouwenvelder en D.B. Bijl, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando,</para>
    <para>griffier. De beslissing is op 13 november 2014 in het openbaar uitgesproken. Bij</para>
    <para>afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.</para>
    <para>De griffier: De oudste raadsheer:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Beroep in cassatie</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge</para>
    <para>Raad der Nederlanden (betastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht</para>
    <para>worden genomen:</para>
  </parablock>
  <para>1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
  <para>2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:</para>
  <para>a. a) de naam en het adres van de indiener;</para>
  <para>b) de dagtekening;</para>
  <para>c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
  <para>d) de gronden van het beroep in cassatie.</para>
  <parablock>
    <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie</para>
    <para>ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
    <para>In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van</para>
    <para>de proceskosten.</para>
    <para>// ETLKENO VERZQNDENf</para>
    <para>I7</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>