<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2014:5501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T11:02:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/00495 en 12/00500</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#schadevergoedingsuitspraak">Schadevergoedingsuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:5501">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:5501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-23T11:40:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2014:5501 Gerechtshof Amsterdam , 30-10-2014 / 12/00495 en 12/00500</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2014:5501:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Redelijke termijn in de beroepsfase overschreden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2014:5501:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="3faf6d3f-75ea-433f-a055-ae26ca020bbe" depth="16" width="550" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>Uitspraak</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
      <para>Kenmerknummers 12/00495 bis t/m 12/00500 bis</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>30 oktober 2014</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">nadere uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [A 2]
        </emphasis>te [B], belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="bold">de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak</emphasis>, de Minister,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade (hierna: het verzoek) in de na te noemen zaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Voor de loop van het geding verwijst het Hof naar de uitspraken van de Derde Meervoudige Belastingkamer van 6 maart 2014 in de zaken met kenmerknummers 12/00495 t/m 12/00500. Bij deze uitspraken heeft het Hof het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de immateriële schadevergoeding voor zover deze is toe te rekenen aan de rechtbank en heeft het Hof de Minister aangemerkt als partij in die procedure.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het Hof heeft de Minister in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek uit te laten. De Minister heeft dat gedaan bij brief ingekomen bij het Hof op 7 april 2014. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 30 juni 2014 gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft het Hof schriftelijk toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een beleidsregel uitgevaardigd op grond waarvan hij in een geval als het onderhavige niet over een toegekende vergoeding van immateriële schade wenst te worden gehoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De voorzitter van de Derde Meervoudige Belastingkamer heeft de behandeling van het verzoek verwezen naar de Zesde Enkelvoudige Belastingkamer.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 oktober 2004 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen (tijdig) een bezwaarschrift ingediend. Bij brief ingekomen bij de rechtbank op 8 mei 2006 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift. De inspecteur heeft met dagtekening 30 november 2006 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft op 27 mei 2009 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de navorderingsaanslag ingestelde beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met dagtekening 19 november 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag Vpb opgelegd. Belanghebbende heeft op 25 november 2005 een bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslag. Bij brief ingekomen bij de rechtbank op 10 december 2007 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift. De inspecteur heeft met dagtekening 8 maart 2008 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft op 31 juli 2009 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de navorderingsaanslag ingesteld beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met dagtekening 22 juli 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag Vpb opgelegd. Belanghebbende heeft op 17 augustus 2006 een bezwaarschrift ingediend tegen de navorderingsaanslag. Bij brief ingekomen bij de rechtbank op 18 december 2007 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift. De inspecteur heeft met dagtekening 15 maart 2008 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft op 31 juli 2009 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de navorderingsaanslag ingestelde beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.4.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met dagtekening 31 juli 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag Vpb opgelegd. Belanghebbende heeft op 7 september 2006 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag. Bij brief ingekomen bij de rechtbank op 20 december 2007 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift. De inspecteur heeft met dagtekening 22 maart 2008 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft op 31 juli 2009 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de aanslag ingesteld beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.5.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met dagtekening 13 oktober 2007 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag Vpb opgelegd. Belanghebbende heeft op 22 november 2007 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag. De inspecteur heeft met dagtekening 31 maart 2008 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. Bij brief ingekomen bij de rechtbank op 8 april 2008 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft op 31 juli 2009 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de aanslag ingestelde beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.6.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met dagtekening 28 juli 2006 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting (OB) opgelegd. Belanghebbende heeft op 7 augustus 2006 een bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag. Bij brief ingekomen bij de rechtbank op 31 december 2007 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift. De inspecteur heeft met dagtekening 4 april 2008 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft op 16 september 2009 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ingesteld beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Namens de Minister heeft de Raad voor de rechtspraak in zijn op 7 april 2014 ingekomen brief onder meer het volgende meegedeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onder verwijzing naar uw brief van 6 maart 2014 deel ik u, namens de minister van Veiligheid en</para>
        <para>Justitie, het volgende mede. De Raad voor de rechtspraak refereert zich aan uw oordeel en zal geen gebruik maken van de gelegenheid een schriftelijke reactie over deze zaak te geven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in zijn brief van 30 juni 2014 onder meer het volgende meegedeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onder verwijzing naar u brieven van 8 april en 17 juni 20014 treft u hieronder namens mijn cliënten de heer [C] (hierna: belanghebbenden) een reactie op de brief namens de minister van Veiligheid en Justitie dat de Raad voor de rechtspraak zich refereert aan het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam. Ik heb deze mededeling ter kennisneming aangenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het de bedoeling is om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen nog ene inhoudelijke reactie te geven op het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens redelijke termijn overschrijding in beroep bericht ik u namens belanghebbenden als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsprocedure was voor het jaar 1999 voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting het langst, ruim 2 en een half jaar. Uw Hof rekent daarvan 2 jaar toe aan de bezwaarfase. De rechtbank heeft er meer dan drie jaar over gedaan om tot een uitspraak te komen. Ten tijde van de rechtbank procedure, nota bene ingesteld wegens het niet binnen redelijke termijn doen van uitspraak op bezwaar, is tussentijds uitspraak op bezwaar gedaan. Dit was ongeveer een half jaar na indienen van het beroep. Dit rechtvaardigt echter geenszins de overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. De rechtbank heeft na de uitspraak op bezwaar pas 2 en een half jaar later uitspraak gedaan. De redelijke termijn overschrijding in de beroepsfase is dus overschreden met 1 1/2 jaar. Voor het overige conformeren belanghebbenden zich aan hetgeen door uw Hof is opgemerkt in punt 6.3 van de uitspraak dat het redelijk is om een immateriële schadevergoeding tweemaal toe te kennen eenmaal aan iedere belanghebbende.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Omschrijving verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het verzoek strekt nog tot vergoeding van immateriële schade geleden door overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase bij de rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep gezamenlijk bedraagt in beginsel twee jaren, ingaande op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. Daarbij dient dan een onderscheid te worden gemaakt tussen een overschrijding van de redelijke termijn die toerekenbaar is aan de bezwaarfase enerzijds en een overschrijding van die termijn die toerekenbaar is aan de beroepsfase anderzijds.</para>
        <para>De schade die toerekenbaar is aan de eerste overschrijding, dient te worden vergoed door de</para>
        <para>inspecteur. De schade die toerekenbaar is aan de tweede overschrijding, dient te worden</para>
        <para>vergoed door de Staat.</para>
        <para>De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep van (gezamenlijk) twee jaren</para>
        <para>wordt onderverdeeld in een halfjaar voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar</para>
        <para>voor de beroepsfase bij de rechtbank (vgl. HR 9 augustus 2013, nr. 12/06009, ECLI:NL:HR:2013:199, BNB 2013/223).</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.2.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Met betrekking tot de beroepsprocedure inzake de navorderingsaanslag Vpb 1999 stelt het Hof het volgende vast. Bij brief ingekomen bij de rechtbank op 8 mei 2006 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift. De inspecteur doet op 30 november 2006 uitspraak op bezwaar waarna de rechtbank op 27 mei 2009 uitspraak doet in het beroep van belanghebbende. De behandeling van het beroep heeft daarmee ruim 36 maanden in beslag genomen.</para>
          <para>Alsdan is de redelijke termijn in de beroepsfase met 1 jaar en ruim 6 maanden overschreden.</para>
          <para>Hiervan dient de periode vanaf de indiening van het beroep tot aan het doen van de uitspraak op bezwaar, welke periode ruim 6 maanden beslaat, aan  de bezwaarfase (de inspecteur) te worden toegerekend (zie de uitspraak van het Hof van 6 maart 2014 met kenmerknummers 12/00498 en 12/00499, hierna de Vpb-uitspraak, met name rechtsoverweging 6.6.), zodat voor de beroepsfase een overschrijding met bijna 1 jaar resteert.</para>
          <para>Het Hof verwerpt daarmee het standpunt van belanghebbende dat in de beroepsfase een overschrijding met 1 ½ jaar in aanmerking moet worden genomen; dit zou tot een dubbeltelling leiden voor de periode tussen 8 mei en 30 november 2006, welke reeds in aanmerking is genomen bij de aan de inspecteur toe te rekenen overschrijding en de daaruit voortvloeiende vergoeding.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2.</nr>
        <para>Het Hof stelt vast dat de redelijke behandelingsduur van het beroep in de overige zaken niet althans minder overschreden is dan in het beroep betreffende de navorderingsaanslag Vpb 1999.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.3.</nr>
        <para>Nu de zaken betrekking hebben op in hoofdzaak hetzelfde onderwerp en vrijwel gelijktijdig zijn behandeld, en overigens geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die een langere termijn rechtvaardigen (het Hof verwijst voor zoveel nodig naar de motivering in onderdeel 6 van de Vpb-uitspraak), moet het bedrag van de immateriële schadevergoeding in de beroepsfase, uitgaande van de procedure die het langst heeft gelopen, worden berekend op € 1.000 (2 x € 500). </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Al het voorgaande leidt ertoe dat de Minister een vergoeding van € 1.000 verschuldigd is.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Kosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar onderdeel 5 van de uitspraak in het verzoek van J. Kiewiet (kenmerknummers 12/00490 bis tot en met 12/00494 bis) wordt voor het onderhavige verzoek geen proceskostenvergoeding toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 1.000.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De nadere uitspraak is gedaan door mr. J. den Boer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van[de]griffier. De beslissing is op 30 oktober            2014 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze nadere uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    <para>2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. een dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>