<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2014:3690</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-01T16:34:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-09-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/00077</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2014/1789</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2014/63.20.17</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2014/2491 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2014-2109</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2014091002</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:3690">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:3690</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-09-08T09:01:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-09-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2014:3690 Gerechtshof Amsterdam , 04-09-2014 / 14/00077</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2014:3690:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is terecht opgelegd omdat met de auto tijdens een schorsing gebruik is gemaakt van de openbare weg. De Wet MRB voorziet niet in een matiging bij gering gebruik.</para>
        <para>Een verzuimboete is terecht maar het Hof ziet, gelet op alle omstandigheden, aanleiding om de boete te matigen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2014:3690:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM </bridgehead>
    <para>kenmerk 14/00077</para>
    <para>4 september 2014</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de meervoudige belastingkamer </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [A], </emphasis>te[P], belanghebbende,</para>
      <para>gemachtigde: [X],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk 13/2626 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst Apeldoorn/Centrale Administratie,</emphasis>
      </para>
      <para>de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft met dagtekening 1 augustus 2011 aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) voor een bedrag van € 888 en bij beschikking een boete van € 888 opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 oktober 2011, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd met vijftig percent tot een bedrag van € 444.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 18 oktober 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard, de uitspraak vernietigd voor zover deze de hoogte van de boete betreft en de boete verminderd tot een bedrag van € 421.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is ingediend op 29 november 2013 bij gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en na doorzending aangevuld bij brief van 5 februari 2014. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Volgens de kentekenregistratie is belanghebbende van 26 november 2008 tot en met 11 maart 2011 houder van een personenauto, merk Chevrolet, met het kenteken [...] (hierna: de auto). Het kenteken van de auto is van 4 januari 2010 tot en met 26 december 2010 en van 27 december 2010 tot en met 11 maart 2011 geschorst als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij een controle op woensdag 2 maart 2011, om 4.23 uur, wordt geconstateerd dat de auto is geparkeerd op de [straatnaam], ter hoogte van huisnummer 87, te [plaatsnaam].</para>
        <para>Naar aanleiding van deze controle zijn de naheffingsaanslag MRB en de boete opgelegd</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de auto ultimo februari 2011 verkocht. Op zondag 27 februari 2011 heeft belanghebbende de koper de beschikkingsmacht over de auto verleend. De koper heeft die (zon)dag de auto per oplegger laten wegvoeren. In het kentekenregister is de auto op donderdag 12 maart 2011 overgeschreven op de naam van de koper. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De overwegingen van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het volgende overwogen - waarbij belanghebbende als “eiser” en de inspecteur als “verweerder” zijn aangeduid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">De naheffingsaanslag </emphasis></para>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para>3. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de</para>
    <parablock>
      <para>motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) voor zover hier van belang, wordt onder de</para>
      <para>naam motorrijtuigenbelasting een belasting geheven ter zake van het houden van een</para>
      <para>personenauto.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft bevestigd dat de auto zich tijdens een schorsing als bedoeld in artikel 19</para>
    <parablock>
      <para>van de Wet MRB op de weg bevond. Er was volgens eiser op dat moment geen mogelijkheid</para>
      <para>om de auto niet op de weg te plaatsen. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB,</para>
      <para>heeft verweerder de motorrijtuigenbelasting nageheven. Verweerder heeft daarbij de</para>
      <para>belasting nageheven over de periode 15 mei 2010 tot en met 11 maart 2011 overeenkomstig</para>
      <para>hetgeen is bepaald in het tweede en vijfde lid van artikel 35 van de Wet MRB. Verweerder</para>
      <para>heeft naar het oordeel van de rechtbank de motorrijtuigenbelasting terecht nageheven, omdat</para>
      <para>met de auto gebruik is gemaakt van de weg, terwijl het kenteken van de auto was geschorst</para>
      <para>en eiser nog als houder stond geregistreerd. De rechtbank overweegt dat er geen sprake was</para>
      <para>van een acute noodsituatie. Er waren immers andere mogelijkheden om een naheffing te</para>
      <para>voorkomen. Zo had - onder andere- -de auto vervoerd kunnen worden gedurende de</para>
      <para>openingstijden van de garage, zodat de auto niet op de weg had hoeven staan of eiser had het</para>
      <para>kenteken voorafgaand aan het transport kunnen ontschorsen.</para>
      <para>Hoewel de rechtbank constateert dat verweerder heeft gedraald met het doorzenden van het</para>
      <para>beroepschrift, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om verweerder niet-ontvankelijk te</para>
      <para>verklaren, reeds omdat zij hiervoor geen steun vindt in het recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De boete</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Verweerder heeft op grond van artikel 37 van de Wet MRB in verbinding met artikel</para>
    <parablock>
      <para>67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen terecht een boete opgelegd omdat de</para>
      <para>belasting niet op aangifte is voldaan, Op grond van paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke</para>
      <para>Boeten Belastingdienst (BBBB), onderdeel 2, bedraagt de verzuimboete maximaal 100</para>
      <para>procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen</para>
    <parablock>
      <para>in te scherpen. In dit geval heeft eiser niet aan de voorwaarden voor de schorsingsregeling</para>
      <para>voldaan. Het enkele niet daaraan voldoen rechtvaardigt in beginsel een boete van 100</para>
      <para>procent. Factoren als de mate van schuld en opzet of de duur van het niet voldoen aan de</para>
      <para>schorsingsvoorwaarden spelen daarbij geen rol. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid</para>
      <para>van alle schuld kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiser heeft aangevoerd dat zowel hij als de koper van de auto niet met opzet de</para>
    <para>schorsingsregels hebben overtreden. Volgens verweerder zijn de boetes passend en geboden.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar de boete verminderd tot 50% omdat de</para>
    <para>auto door de nieuwe eigenaar, buiten het gezichtsveld van eiser, op de weg is geplaatst.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld.</para>
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, kan niet worden gezegd dat eiser in dezen niets valt</para>
      <para>te verwijten. Van iemand die gebruik maakt van een begunstigende regeling mag worden</para>
      <para>verwacht dat hij onderzoek verricht naar de voorwaarden die gelden voor de desbetreffende</para>
      <para>regeling. Door de auto zonder overdracht van deel III en zonder vrijwaringsbewijs aan de</para>
      <para>koper te overhandigen of door de auto niet tevoren te ontschorsen heeft eiser een risico</para>
      <para>genomen dat voor zijn rekening komt. Dat zowel hij als de nieuwe eigenaar zonder opzet</para>
      <para>hebben gehandeld maakt dit niet anders. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet</para>
      <para>gebleken. Het beroep op afwezigheid van alle schuld of bijzondere omstandigheden slaagt</para>
      <para>dan ook niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Wel zal de rechtbank de boete matigen omdat de redelijke termijn als bedoeld in</para>
    <parablock>
      <para>artikel 6 EVRM is overschreden. Omdat de uitspraak van deze rechtbank wordt gedaan twee</para>
      <para>jaar en drie maanden nadat eiser bij brief van 13 juli 2011 op de hoogte is geraakt van het feit</para>
      <para>dat hem een boete zou worden opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om met inachtneming</para>
      <para>van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, nr. 04/03349 (ECLI: NL:</para>
      <para>GHAMS: 2009: BJ1298) de verzuimboete ambtshalve te matigen met 5% en te verlagen tot</para>
      <para>€ 421. De rechtbank ziet geen reden de boete verder te matigen. Omdat sprake is van een</para>
      <para>ambtshalve vermindering van de boete in verband met de overschrijding van de redelijke</para>
      <para>termijn, leidt deze vermindering niet tot een gegrondverklaring van het beroep en evenmin</para>
      <para>tot proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht (zie HR 16 september 2011,</para>
      <para>ECLI: NL: HR: 2011: BP8053).”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat met de auto in een periode van schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994, gebruik is gemaakt van de openbare weg. De inspecteur heeft op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB, terecht de belasting nageheven, die overeenkomstig het tweede en derde lid van dat artikel, de periode 15 mei 2010 tot en met 11 maart 2011 bestrijkt. De Wet MRB voorziet niet in een matiging van de verschuldigde MRB indien en voor zover komt vast te staan dat met de auto in een periode van schorsing slechts een gering gebruik van de openbare weg is gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Met betrekking tot de boete overweegt het Hof als volgt. De auto is na verkoop en vooruitlopend op de overschrijving van het kentekenbewijs per oplegger vervoerd door de koper en op zondagavond op de openbare weg geplaatst in de nabijheid van een garage ter aanbieding ter reparatie. Belanghebbende heeft in deze handelwijze bewilligd en heeft aldus het risico genomen dat in strijd met de schorsingsvoorwaarden wordt gehandeld. De boete is dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. De opgelegde boete is, aldus de inspecteur, verminderd nu het feitelijke tot de boeteoplegging leidende gedrag “uit het zicht van belanghebbende” heeft plaatsgehad. Het Hof is van oordeel, dat in dit geval een verzuimboete op zich terecht is met dien verstande dat, gelet op alle omstandigheden, € 250 passend is. Het Hof heeft bij de vermindering rekening gehouden met de gevolgen van undue delay.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De slotsom is dat het hoger beroep met betrekking tot de boete gegrond is en dat moet worden beslist als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Proceskosten </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof acht geen termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen, omdat belanghebbende geen beroepsmatige rechtsbijstand heeft verleend. Het Hof zal de inspecteur gelasten het griffierecht te vergoeden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para>- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing inzake het griffierecht;</para>
    <para>- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;</para>
    <para>- handhaaft de naheffingsaanslag;</para>
    <para>- vermindert de boete tot € 250;</para>
    <para>- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 118 te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, C.J. Hummel en J.T. Sanders, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 4 september 2014 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH  Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    <para>2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. een dagtekening;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
    <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>