<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2014:2710</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T13:41:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.139.165/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:2710">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2014:2710</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-10T15:08:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2014:2710 Gerechtshof Amsterdam , 18-02-2014 / 200.139.165/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2014:2710:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw), goeder trouw onvoldoende aannemelijk geworden, onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag, CJIB schuld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2014:2710:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>arrest</para>
    <para>________________________________________________________________ _ _</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team II</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer                           		 : 200.139.165/01</para>
      <para>rekestnummer rechtbank Noord-Holland     	 : C/15/203228 FT RK 13.918</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 februari 2014</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats],</para>
      <para>advocaat: <emphasis role="underline">mr. M. Raaijmakers</emphasis> te [vestigingsplaats]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster wordt hierna [verzoekster] genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoekster] is bij op 19 december 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 december 2013, waarbij het verzoek van [verzoekster] tot toelating tot de schuldsanering is afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep is behandeld op de zitting van 11 februari 2014. Bij die behandeling is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door mr. Raaijmakers voornoemd die het verzoekschrift heeft toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, van het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en van de brief van 10 februari 2014 van mr. Raaijmakers met productie X. Mr. Raaijmakers heeft verklaard het proces-verbaal te hebben ontvangen, maar de overige stukken van het dossier van de eerste aanleg niet.Ter zitting in hoger beroep is kort mededeling gedaan van de inhoud van het dossier.<?linebreak?><?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [verzoekster] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [verzoekster] is wel te goeder trouw geweest bij het ontstaan van haar schulden. De schuld aan de Belastingdienst betreffende de kinderopvangtoeslag is ontstaan in de periode 2010-2012. [verzoekster] had haar kinderen op de opvang ook in periodes dat zij niet werkte. Achteraf is de toen uitgekeerde </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>kinderopvangtoeslag onterecht gebleken. [verzoekster] heeft voorts aangevoerd dat zij ongeveer € 1.300,- heeft afbetaald op haar CJIB-schuld en € 1.400,- op haar schuld aan de ABN AMRO Bank.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] daarin niet is geslaagd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Zoals uit het bovenstaande volgt, heeft [verzoekster] in de vijf jaar voorafgaande aan de dag van indiening van het inleidende verzoekschrift (onder andere) schulden laten ontstaan en onbetaald gelaten aan de Belastingdienst en aan het CJIB.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Vast is komen te staan dat [verzoekster] over de jaren 2010, 2011 en 2012 onterecht kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. [verzoekster] heeft verklaard dat zij niet wist dat zij geen recht op kinderopvangtoeslag had als zij niet werkte. Wat hiervan zij, uit de verklaring van [verzoekster] ter zitting in hoger beroep blijkt ook dat zij de ontvangen gelden deels heeft aangewend om in de kosten en het  levensonderhoud van haarzelf en de kinderen te voorzien. Ondanks de uitleg die [verzoekster] daarbij heeft gegeven, kan het hof, mede gelet op de aard  van die schuld, niet anders oordelen dan dat [verzoekster] ten aanzien daarvan niet te goeder trouw is geweest. De schuld, ten bedrage van € 70.483,- is tot op heden ontbetaald gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Voorts heeft [verzoekster] ter zitting in hoger beroep wel gesteld € 1.300,- afgelost te hebben op haar CJIB-schuld ter hoogte van € 1.708,26, maar heeft zij dit niet met stukken nader onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat  [verzoekster] van het ontstaan  van de schuld aan het CJIB geen verwijt kan worden gemaakt. Onvoldoende is aangetoond dat deze schuld tot aanvaardbare proporties is teruggebracht. Deze schuld staat eveneens aan haar toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Dat [verzoekster] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen, als bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw, is ten slotte niet gebleken. </para>
        <para>
          [verzoekster] heeft geen dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan dit zou kunnen worden aangenomen </para>
        <para>Dat neemt niet weg dat indien [verzoekster] op termijn kan aantonen dat haar leven een stabiele wending heeft genomen, zij over enige tijd nogmaals een verzoek kan indienen om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, G.J. Visser en H.J.M. Boukema en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>