<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-01T10:32:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY9834</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-01-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12/00533</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2013/514</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2013-0417</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2013020614</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9834">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:27:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9834 Gerechtshof Amsterdam , 11-01-2013 / 12/00533</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9834:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De verwijzingsopdracht brengt mee dat in de verwijzingsprocedure geen aandacht meer wordt besteed aan in de cassatieprocedure verworpen stellingen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9834:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF TE AMSTERDAM</para>
      <para>Eerste Meervoudige Belastingkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para />
    <para>op het beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – aanvankelijk van [X], erflater, thans van de erven [X] te [Z], belanghebbenden,</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para> uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst Holland-Midden/kantoor Leiden, de inspecteur.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1. Loop van het geding</para>
    <para />
    <para>1.1. Van erflater zijn op 27 juli 2004 ter griffie van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage als één beroep aan te merken geschriften ingekomen, ingediend door mr. G.J.M.E. de Bont (Hertoghs advocaten belastingkundigen) te Breda als gemachtigde. Het beroep is bij dat gerechtshof ingeschreven onder kenmerk 04/02986 t/m 04/02988.</para>
    <para />
    <para>1.2. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft op dit beroep op 28 januari 2011 uitspraak gedaan, waarbij het beroep gegrond is verklaard voor zover - naar het Hof begrijpt - het ziet op de verhogingen begrepen in de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) voor de jaren 1990 t/m 1997 en de vermogensbelasting (VB) voor de jaren 1991 t/m 1998 en de boetebeschikkingen ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PV voor de jaren 1998 en 1999 en VB voor de jaren 1999 en 2000, en waarbij deze navorderingsaanslagen zijn verminderd met de daarin begrepen verhogingen en de boetebeschikkingen zijn vernietigd.</para>
    <para />
    <para>1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep in cassatie is bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 onder nummer 11/01325, LJN BX0901, gegrond verklaard, waarbij - voor zover thans van belang - de in cassatie bestreden uitspraak is vernietigd uitsluitend voor wat betreft de navorderingsaanslagen en de behandeling van het beroep is verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam, alwaar dit beroep is ingeschreven onder kenmerk 12/00533.</para>
    <para />
    <para>1.4. Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brief van 23 juli 2012 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 21 september 2012 en mr. A.M.E. Nuyens van voormeld kantoor Hertoghs, hierna de gemachtigde, bij brief van 1 oktober 2012. Afschriften van deze brieven zijn aan de wederpartij gezonden.</para>
    <para />
    <para>1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Geschil na verwijzing</para>
    <para />
    <para>2.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 juli 2012, LJN BX0901,voor zover van belang voor het geding na verwijzing, het volgende overwogen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1.1. Voor het Hof was onder meer in geschil of de berekening van de navorderingsaanslagen op basis van het model jegens belanghebbenden onredelijk is. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Inspecteur een geringe hoeveelheid informatie ter beschikking stond. Verder heeft het Hof in dat verband geoordeeld dat hetgeen belanghebbenden over het model hebben aangevoerd, zoals over de toepassing van de zogenoemde 95%-norm en van de zogenoemde 1,5-factor, niet meebrengt dat de uitkomst van de schatting onredelijk is. Onder meer hiertegen richt zich middel VII.</para>
      <para>3.1.2. Het middel betoogt in dit verband dat de berekening van de navorderingsaanslagen onredelijk is omdat door toepassing van zowel de 95%-norm als de factor 1,5 de stelling van de Inspecteur dat de saldi van ontkenners hoger zullen zijn dan die van meewerkers "twee maal wordt uitgebuit".</para>
      <para>3.1.3. Het Hof heeft zich niet uitgelaten over de inconsistentie in de modelmatige berekening die ontstaat door toepassing van zowel de 95%-norm als de factor 1,5. Aldus is 's Hofs oordeel dat de uitkomst van de schatting niet onredelijk is ook voor zover deze uitgaat van een factor 1,5, onvoldoende gemotiveerd (vgl. HR 30 maart 2012, nr. 11/02222, LJN BW0188, BNB 2012/158). Het middel slaagt daarom in zoverre.</para>
      <para>(...)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Slotsom</para>
      <para>Gelet op het hiervoor in 3.1 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2. De inspecteur heeft bij brief van 21 september 2012 een herrekening van de na te vorderen belasting ingezonden. De gemachtigde heeft bij brief van 1 oktober 2012 geschreven dat de herrekening van de navorderingsaanslagen in verband met de eliminatie van de factor 1,5 als zodanig niet langer in geschil is en hij heeft de juistheid van de berekening van de inspecteur niet betwist.</para>
    <para />
    <para>2.3. Met inachtneming van het voorgaande is in de verwijzingsprocedure geen geschil meer waarover het verwijzingshof zich kan uitlaten. Het Hof zal de navorderingsaanslagen dan ook verminderen overeenkomstig de door de inspecteur ingezonden berekening, zoals hierna opgenomen in onderdeel 3. </para>
    <para />
    <para>2.4. Na verwijzing heeft belanghebbende overige in de cassatieprocedure ingenomen stellingen herhaald. Aangezien de Hoge Raad deze stellingen heeft verworpen, kunnen zij na verwijzing niet opnieuw worden ingenomen. Mitsdien falen de door de gemachtigde in de brief van 1 oktober 2012 op dit punt aangevoerde grieven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. Feiten</para>
    <para />
    <para>De inspecteur heeft bij brief van 21 september 2012 de volgende herrekening van de bij de (navorderings)aanslagen IB/PV voor de jaren 1990 t/m 1999 vast te stellen belastbare inkomens en van de bij de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 t/m 2000 vast te stellen vermogens gevoegd (bedragen in guldens):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inkomstenbelasting </para>
      <para>jaar	1990	1991	1992	1993	1994	1995	1996	1997	1998	1999</para>
      <para>belastbare inkomens</para>
      <para>primitieve aanslag 	50.000	50.750	49.682	127.087	67.698	67.938	76.836	77.990	66.412	66.357</para>
      <para>correcties	29.421	27.368	27.221	26.987	19.565	20.651	11.460	12.240	12.675	13.350</para>
      <para>belastbare inkomens </para>
      <para>navorderingsaanslag 	79.421	78.118	76.903	154.074	87.263	58.589	88.296	90.230	79.087	79.707</para>
      <para>belastingbedragen</para>
      <para>navorderingsaanslag	14.711	13.684	13.611	16.192	9.782	10.326	5.730	6.120	6.338	6.675</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Vermogensbelasting </para>
      <para>jaar	191991	1992	1993	1994	1995	1996	1997	1998	1999	2000</para>
      <para>vastgesteld vermogen										</para>
      <para>correcties	416.000	426.400	426.920	463.320	458.640	407.600	412.8000	477.200	483.200	541.200</para>
      <para>af correcties IB 										</para>
      <para>af correcties heffingsrente 										</para>
      <para>af correcties VB										</para>
      <para>gecorrigeerd vermogen	662.000	652.000	722.000	950.000	847.000	839.000	904.000	1.090.000	1.067.000	956.000</para>
      <para>belastingbedrag navorderingsaanslag	3.208	3.152	3.016	3.136	2.976	2.432	2.392	2.464	2.422	2.737</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>4. Beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade</para>
    <para />
    <para>4.1. De gemachtigde heeft voor het eerst in de cassatieprocedure een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade geleden als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad, waarin op dit punt geen aanwijzingen aan het Hof worden gegeven, kan aan dit verzoek geen gevolg worden gegeven voor zover het ziet op het tijdvak voor de aanvang van de verwijzingsprocedure. </para>
    <para />
    <para>4.2. Nu de verwijzingsuitspraak wordt gedaan ruim een half jaar na de verwijzing door de Hoge Raad, is er geen reden voor het oordeel dat de behandeling van deze procedure zo lang heeft geduurd dat belanghebbenden als gevolg daarvan voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade hebben geleden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>5. Proceskosten</para>
    <para />
    <para>5.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de reeds eerder gegeven beslissing op dit punt door de Hoge Raad beperkt het Hof deze veroordeling tot de kosten gemaakt in de verwijzingsprocedure.</para>
    <para />
    <para>5.2. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten dienen in het onderhavige geval te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor de toepassing van deze bepaling worden de beroepen met kenmerk 12/00530 t/m 12/00533 en 12/00535 t/m 12/00536 en het hoger beroep met kenmerk 12/00537 als één zaak beschouwd, nu zij samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. </para>
    <para />
    <para>5.3. Het Hof laat voor de toepassing van artikel 3 van het Besluit de beroepen met kenmerk 12/00529 en 12/00534 buiten beschouwing. Partijen zijn in het kader van de in die zaken gewezen arresten van de Hoge Raad van 13 juli 2012 in bespreking gegaan en hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een toelichting te geven op die arresten. Voorts zijn deze zaken ter zitting van 3 december 2012 slechts aan de orde gesteld in verband met het te voeren/gevoerde overleg tussen partijen. </para>
    <para />
    <para>5.4. Hiervan uitgaande stelt het Hof het bedrag van de proceskosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op 1,5 (0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen van 1 oktober 2012 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 3 december 2012) x € 472 x 2 (wegingsfactor) x 1,5 (samenhang meer dan 4 zaken), dat is € 2.124.</para>
    <para />
    <para>5.5. Voor het onderhavige beroep wordt de veroordeling beperkt tot 1/7e deel van dat bedrag, derhalve tot (afgerond) € 304.</para>
    <para />
    <para />
    <para>6. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof</para>
      <para>-	verklaart het beroep gegrond, </para>
      <para>-	vernietigt de uitspraak op bezwaar,</para>
      <para>-	vermindert de navorderingsaanslagen IB/PV voor de jaren 1990 t/m 1999 tot navorderingsaanslagen berekend naar de volgende belastbare inkomens (in guldens):</para>
      <para>jaar</para>
      <para>	1990	1991	1992	1993	1994	1995	1996	1997	1998	1999</para>
      <para>belastb. inkomens 	79.421	78.118	76.903	154.074	87.263	88.589	88.296	90.230	79.087	79.707</para>
      <para>-	vermindert de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 t/m 2000 tot navorderingsaanslagen berekend naar de volgende vermogens (in guldens):</para>
      <para>jaar	1991	1992	1993	1994	1995	1996	1997	1998	1999	2000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vermogens	662.000	652.000	722.000	950.000	847.000	839.000	904.000	1.090.000	1.067.000	956.000</para>
      <para>-	veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 304.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Aldus gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter van de belastingkamer, J.P.A. Boersma en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in aanwezigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 24 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>							bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak</para>
      <para>							ondertekend door de oudste raadsheer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH  Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
      <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      <para>2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>b. een dagtekening;</para>
      <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
      <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>