<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3797</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T03:30:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ3797</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.114.934/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:BZ4188" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ4188, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2013:BZ4188" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusieVoorCassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ4188</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3797">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3797</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:55:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3797 Gerechtshof Amsterdam , 27-11-2012 / 200.114.934/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3797:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Niet te goeder trouw ten aanzien van schuld aan het CJIB wegens meerdere verkeersovertredingen.</para>
        <para>Hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht over deze schuld is onvoldoende om aan te nemen dat deze te goeder trouw is ontstaan.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3797:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>arrest</para>
      <para>________________________________________________________________ _ _</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>GERECHTSHOF AMSTERDAM</para>
    <para />
    <para>sector handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer                                  : 200.114.934/01</para>
      <para>rekestnummer rechtbank               : 194834 en 194835</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>arrest van de derde kamer van 27 november 2012</para>
    <para />
    <para>in de zaak van:  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[APPELLANT 1],</para>
      <para>[APPELLANT 2],</para>
      <para>beiden wonende te [X],</para>
      <para>APPELLANTEN,</para>
      <para>advocaat: mr. C.W.M. Neefjes te Purmerend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1.	Het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <para>Appellanten worden hierna [appellanten], dan wel ieder afzonderlijk [appellant 1] en [appellant 2], genoemd. </para>
    <para />
    <para>[appellanten]zijn bij op 15 oktober 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Haarlem van 9 oktober 2012. Op 16 november 2012 hebben [appellanten]ter griffie van het hof nadere stukken ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 20 november 2012. Bij die behandeling zijn [appellant 1] en [appellant 2] verschenen, bijgestaan door mr. Neefjes die het verzoekschrift heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. </para>
    <para />
    <para />
    <para>2.	Beoordeling</para>
    <para />
    <para>2.1. [appellanten]hebben in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe hebben [appellanten]– samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. De schuld aan het CJIB is voornamelijk ontstaan omdat de verzekeringsmaatschappij de verzekering van hun auto niet goed had afgehandeld. In 2010 hebben [appellanten] teveel premie betaald (voor een vernietigde bromfiets), waarbij zij hun verzekeringsmaatschappij hebben verzocht de restitutie te verrekenen met de openstaande premies voor de auto. [appellanten]gingen er van uit dat hun auto verzekerd was. Zij menen dan ook dat hen van het ontstaan van deze schuld geen verwijt kan worden gemaakt. </para>
    <para />
    <para>2.2. Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. </para>
    <para />
    <para>2.3. Het hof is van oordeel dat [appellanten]daarin niet zijn geslaagd. Vast is komen te staan dat [appellanten]een aanzienlijke schuld aan het CJIB hebben wegens meerdere verkeersovertredingen, waaronder het (herhaaldelijk) onverzekerd rijden met een voertuig. Hetgeen [appellanten]hierover naar voren hebben gebracht is onvoldoende om aan te nemen dat hen ten aanzien van die schuld geen verwijt treft. Weliswaar meenden [appellanten]aanspraak te kunnen maken op een restitutie waarmee de premie voor de verzekering van een auto zou kunnen worden betaald, maar zoals [appellant 1] ter zitting heeft erkend, hebben zij nimmer een bevestiging van de verzekeringsmaatschappij gekregen dat de premies door middel van verrekening zouden zijn betaald. Desondanks zijn [appellanten]in de onverzekerde auto blijven rijden, ook nadat daarvoor een boete was opgelegd. Bovendien hebben [appellanten], naar uit het door mr. Neefjes ter zitting overgelegde overzicht openstaande vorderingen d.d. 13 augustus 2012 volgt, nog andere openstaande verkeersboetes waarvoor geen verontschuldiging valt aan te wijzen.</para>
    <para />
    <para>2.4 Ook ziet het hof, hoewel hier geen beroep op is gedaan, thans geen gronden om over te gaan tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw, nu [appellanten]onvoldoende hebben aangetoond dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben. Daarbij is mede van belang dat [appellanten]weliswaar gebruik maken van budgetbeheer, maar nog niet, althans niet aantoonbaar, een begin hebben gemaakt met het aflossen van hun schulden, zoals die aan het CJIB. De omstandigheid dat [appellant 1] sinds vier maanden een betaalde baan heeft, is daarnaast nog van te korte duur om aan te kunnen nemen dat hiermee nakoming van de uit de schuldsaneringregeling voortvloeiende verplichtingen voldoende is gewaarborgd.</para>
    <para />
    <para>2.5. Het voorgaande neemt niet weg dat indien [appellanten]op termijn (met overlegging van bewijsstukken) kunnen aantonen dat de schuld aan het CJIB is betaald en hun leven een stabiele wending heeft genomen, zij over enige tijd nogmaals een verzoek kunnen indienen om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3.	Beslissing</para>
    <para />
    <para>Het hof: </para>
    <para />
    <para>-	bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, M.W.E. Koopmann en G.H. Lankhorst en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>