<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T15:09:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ9801</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.023.338-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5711" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5711</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3975" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3975</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:26:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801 Gerechtshof Amsterdam , 31-05-2011 / 200.023.338-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Erfdienstbaarheid, recht op overpad.  Tussen partijen bestaan ernstige conflicten over de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de erfdienstbaarheid.  Geen onvoorziene omstandigheden. Tijdelijke opheffing erfdienstbaarheid indien daartegenover een vergoeding wordt betaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>31 mei 2011</para>
    <para>							</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF TE AMSTERDAM</para>
      <para>VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>ARREST</para>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[APPELLANT],</para>
      <para>wonende te [woonplaats], gemeente [W.],</para>
      <para>APPELLANT,</para>
      <para>advocaat: mr. D.D. Senders, gevestigd te Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>t e g e n</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[GEÏNTIMEERDE],</para>
      <para>wonende te [woonplaats], gemeente [W.],</para>
      <para>GEÏNTIMEERDE,</para>
      <para>advocaat: mr. S.M. van Luijk, gevestigd te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Het geding in hoger beroep</para>
    <para />
    <para>De partijen worden hierna wederom aangeduid als [appellant] respec¬tievelijk [geïntimeerde].</para>
    <para />
    <para>Het hof heeft in deze zaak op 22 juni 2010 een arrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot aan die datum wordt verwezen naar dat arrest. </para>
    <para />
    <para>Vervolgens heeft er op 10 januari 2011 een meervoudige comparitie plaatsgevonden teneinde het rapport dat door de door het hof benoemde deskundige [S.] is uitgebracht te bespreken. De advocaten van beide partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitnotities. [appellant] heeft daarbij een akte gedateerd 1 december 2010 houdende een voorwaardelijke verandering / aanvulling / wijziging eis genomen. Beide partijen hebben daarbij aanvullende stukken overgelegd. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. </para>
    <para />
    <para>In het proces-verbaal van de hiervoor genoemde comparitie blijkt dat aan de schikking die op 7 december 2009 tot stand was gekomen geen verdere uitvoering kan worden gegeven en dat partijen overeenkomen dat die schikking wordt ontbonden. [appellant] heeft ter comparitie zijn wijziging van eis als verwoord in zijn akte van 1 december 2010 ingetrokken.</para>
    <para />
    <para>Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. De verdere beoordeling in hoger beroep</para>
    <para />
    <para>2.1 [appellant] vordert in deze procedure in conventie – kort gezegd – opheffing, althans beperking, van het recht op over¬pad naar het achter zijn perceel gelegen weiland van [geïntimeerde]. In reconventie heeft [geïntimeerde] de onbelemmerde doorgang over [adres] gevorderd teneinde zijn weiland te kunnen bereiken. De reconventionele vordering speelt in hoger beroep geen rol meer.</para>
    <para />
    <para>2.2 De grondslag voor de vordering van [appellant] is tweeërlei. Ten eerste maakt [geïntimeerde] volgens [appellant] op een zeer hinderlijke wijze gebruik van het recht op overpad over het perceel van [appellant]. Hierdoor is de verhouding tussen partijen ernstig verslechterd. [geïntimeerde] maakt op bezwarende wijze gebruik van het recht op overpad door soms meer dan dertig keer op een dag over het erf van [appellant] te gaan, door te hard te rijden, door het erf van [appellant] te vervuilen en door ook allerlei onbekende personen over het erf van [appellant] te laten lopen. [appellant] stelt voorts dat er regel¬matig sprake is van agressief gedrag van [geïntimeerde] en zijn familieleden en van schelden en beledigen. Ten tweede heeft [geïntimeerde] volgens [appellant] de mogelijkheid om vanaf zijn eigen perceel aan de [adres] een dam te slaan naar het weiland. Die dam heeft er al eens gelegen, maar is door [geïntimeerde] – zonder noodzaak – verwijderd, aldus [appellant].</para>
    <para />
    <para>2.3 [geïntimeerde] heeft de vorderingen bestreden. Hij heeft aangevoerd dat hij de dam destijds heeft weggehaald omdat de constructie daarvan niet (meer) deugdelijk was. [geïntimeerde] stelt dat hij belang heeft bij de handhaving van het recht op overpad. Dat is thans de enige manier waarop hij zijn weiland kan bereiken. Bovendien wenst [geïntimeerde] de mogelijkheid open te houden het weiland in de toekomst van de hand te doen aan een derde; deze derde zal dan gebruik moeten kunnen maken van het recht op overpad over het perceel van [appellant]. [geïntimeerde] betwist ook dat hij op hinderlijke wijze gebruik maakt van zijn recht. Volgens [geïntimeerde] is het juist [appellant] die het onbelemmerd gebruik van het recht op overpad verhindert door op zijn erf hindernissen op te werpen, door [geïntimeerde] en zijn familie uit te schelden en te beledigen en door agressief gedrag.</para>
    <para />
    <para>2.4 Het hof overweegt als volgt. </para>
    <para />
    <para>2.5 Het feit dat tussen partijen ernstige conflicten zijn gere¬zen over (onder meer) de wijze waarop [geïntimeerde] gebruik maakt van de erfdienstbaarheid is niet een onvoorziene om¬standigheid in de zin van artikel 5:78 aanhef en sub a BW, ook niet indien zou komen vast te staan dat de conflictsituatie geheel of in overwegende mate door [geïntimeerde] is veroorzaakt. De conflictsituatie is dus geen grond voor opheffing of wijziging van de erfdienstbaarheid. Het bewijsaanbod dat [appellant] in dit verband heeft gedaan (memorie van grieven nr. 11) is dan ook niet ter zake dienend en wordt om die reden gepasseerd. De tweede grief, waarin [appellant] betoogt dat het gedrag van [geïntimeerde] aanleiding zou moeten zijn tot opheffing op grond van artikel 5:78 aanhef en sub a BW, faalt derhalve.</para>
    <para> </para>
    <para>2.6 De vordering van [appellant] tot gebruik van de erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze (grief VI) strandt reeds op de grond dat deze vordering onvoldoende concreet is omschreven. Immers, op [geïntimeerde] rust reeds op grond van artikel 5:74 BW een dergelijke algemeen geformu¬leerde verplichting. Niet valt in te zien wat een rechterlijk gebod daar nog aan zou toe¬voegen, nu [appellant] heeft nagelaten duidelijk te om¬schrij¬ven wat in de onderhavige situatie “de minst bezwarende wijze” precies inhoudt. De vordering tot limitering van het gebruik (grief V en grief VII) komt om dezelfde reden niet voor toewijzing in aanmerking. De grieven V tot en met VII hebben dus evenmin succes.</para>
    <para />
    <para>2.7 Wat betreft de mogelijkheid een dam aan te leggen tussen het weiland en het perceel aan de [adres]  geldt het volgende. Naar het hof begrijpt was het weiland ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid ten laste van [adres] geen eigendom van de eigenaar van het perceel aan de [adres]. [geïntimeerde] verkreeg het weiland pas in 1994, dankzij bemiddeling van de oom van [appellant] (de toenmalige eigenaar van [adres]). Toen ontstond de mogelijkheid het weiland te ontsluiten via een dam tussen het weiland en [adres] , hetgeen – naar [appellant] stelt – destijds ook de bedoeling van de betrokkenen was. Die dam is ook daadwerkelijk aangelegd en door [geïntimeerde] enige tijd gebruikt. Feit is echter dat door de betrokkenen destijds niet ervoor is gekozen de erf¬dienst¬baarheid ten laste van [adres]  op te heffen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat thans sprake is van een onvoorziene om¬standigheid in de zin van artikel 5:78 aanhef en sub b BW, die meebrengt dat een ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid door de eigenaar van het dienend erf niet kan worden gevergd.  </para>
    <para />
    <para>2.8 De vraag rijst vervolgens of de erf¬dienst¬baarheid op grond van artikel 5:79 BW voor opheffing in aanmerking komt. [geïntimeerde] heeft niet voldoende gemotiveerd bestreden dat hij geen redelijk belang meer zou hebben bij de erfdienst¬baar¬heid in¬dien er een dam zou komen liggen tussen zijn perceel en zijn weiland. Bedoeld belang ontbreekt echter slechts zolang het weiland en het perceel aan de [adres] beide eigendom blijven van [geïntimeerde]. Wanneer [geïntimeerde] één of beide percelen ver¬koopt, herleeft het belang bij de erfdienstbaarheid ten behoeve van het weiland.</para>
    <para />
    <para>2.9 Naar het oordeel van het hof is er – gelet op alle om¬stan¬digheden van dit geval – voldoende aanleiding de erfdienst¬baar¬heid tijdelijk op te heffen indien [appellant] € 10.000,- aan [geïntimeerde] be¬taalt. Daarmee kan [geïntimeerde] een (naar eigen inzicht uit te voeren) dam aanleggen tussen het weiland en zijn perceel aan [adres]. Het bedrag van € 10.000,- is mede gebaseerd op de offertes die partijen ten tijde van de comparitie hebben overgelegd. De tijdelijke opheffing zal moeten worden inge¬schre¬ven in het daartoe bestemde register; de kosten daarvan worden gedragen door [appellant].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.10 Onder tijdelijke opheffing van de erfdienstbaarheid wordt het volgende verstaan:</para>
      <para>- De erfdienstbaarheid wordt opgeheven zolang het weiland en het perceel aan de [adres]  beide eigendom zijn van [geïntimeerde] en/of zijn vrouw en/of zijn kind(eren). </para>
      <para>- Zodra het weiland en/of het perceel aan de [adres]  eigendom wordt van een derde (dus niet zijnde [geïntimeerde] en/of zijn vrouw en/of zijn kind(eren)) herleeft de erfdienst¬baarheid ten laste van [adres] .</para>
      <para>- Wanneer [geïntimeerde] het weiland in eigendom overdraagt aan een derde, maar hij (en/of zijn vrouw en/of zijn kind(eren)) op enigerlei wijze het gebruiksrecht van het weiland behoudt, herleeft de erfdienstbaarheid pas indien dat gebruiksrecht is komen te vervallen.</para>
      <para>- Wanneer binnen tien jaar na de tijdelijke opheffing van de erfdienstbaarheid het weiland en/of [adres] onder bijzondere titel in eigendom overgaat naar een derde (niet zijnde [geïntimeerde]s vrouw en/of kind(eren) dient [geïntimeerde] het bedrag van € 10.000,- (zonder rente) aan [appellant] terug te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.11 Nu het hof aan de (voorgenomen) toewijzing van de vordering van [appellant] tot tijdelijke opheffing van de erfdienstbaarheid voorwaarden stelt in de zin van artikel 5:81 BW en partijen hierop nog niet kunnen reageren, zal het hof hen in de gelegenheid stellen alsnog te doen. Eerst zal [appellant] een akte kunnen nemen en daarna [geïntimeerde].</para>
    <para />
    <para>2.12 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <para>verwijst de zaak naar de rol van 28 juni 2011 voor het nemen van een akte als bedoeld onder 2.11 aan de zijde van [appellant];</para>
    <para />
    <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    <para />
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, R.J.Q. Klomp en D.J. Oranje en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2011 door de rolraadsheer.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>