<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:20:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AT4841</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2005-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">03/02625</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011353&amp;artikel=3.120&amp;g=2005-02-10">Wet inkomstenbelasting 2001 3.120</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2005/37.11 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4841">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T22:16:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4841 Gerechtshof Amsterdam , 10-02-2005 / 03/02625</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4841:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet IB 2001. Aftrek van hypotheekrente. Bewijslastverdeling en causaal verband.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4841:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF TE AMSTERDAM</para>
      <para>Tiende Enkelvoudige Belastingkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para />
    <para>op het beroep van X te Z, belanghebbende,</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/P, de inspecteur. </para>
    <para />
    <para />
    <para>1. Loop van het geding</para>
    <para />
    <para>Namens belanghebbende is op 13 juni 2003 ter griffie een beroepschrift ingekomen, ingediend door A (hierna: de gemachtigde). Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 6 mei 2003, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001. De dagtekening van de aanslag is 28 december 2002. Het bezwaarschrift tegen de aanslag is op 7 februari 2003 ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen. </para>
    <para />
    <para>Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak. </para>
    <para />
    <para>De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarin geeft hij het Hof in overweging het beroep ongegrond te verklaren. </para>
    <para />
    <para>Op 8 april 2004 is ter griffie een aanvulling op het beroepschrift met dagtekening 5 april 2004 ingekomen. Op 9 april 2004 heeft de griffier dat stuk in kopie aan de inspecteur gezonden. </para>
    <para />
    <para>Ter zitting van 4 mei 2004 zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote en de gemachtigde en, namens de inspecteur, mr. B. </para>
    <para />
    <para>Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 18 mei 2004. Het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is op 18 mei 2004 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 3 juni 2004 van de inspecteur het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht (€ 204,50) heeft hij tijdig voldaan.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Tussen partijen vaststaande feiten</para>
    <para />
    <para>2.1. Belanghebbende, gehuwd, heeft zijn woning aan de c-weg 1 te Z (verder het pand) op ... januari 2001 aan de gemeente Z (verder de gemeente) verkocht in verband met de sanering en herontwikkeling van de c-weg. Volgens de “Afrekening” van de notaris bedroeg de verkoopopbrengst van het pand ƒ 285.000 en de vergoeding voor verhuiskosten en schadevergoedingen ƒ 75.000. Laatst genoemd bedrag heeft de gemeente in een bijlage bij een brief met dagtekening 16 oktober 2002, gericht aan de belastingdienst P als volgt gespecificeerd:</para>
    <para />
    <para>“schadeberekening			c-weg 1</para>
    <para />
    <para>hoofdbewoner			X</para>
    <para />
    <para>getaxeerde waarde					fl 285.000</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>aanvaardbare aankoopwaarde			fl 313.500</para>
      <para>verschil te financieren tegen 6,5%			fl   18.525</para>
      <para>verhuiskosten					fl     4.000</para>
      <para>aankoopschade geschat				fl   22.892</para>
      <para>totale schade					fl   45.417</para>
      <para>afgerond						fl   46.000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>kosten afslopen muur				fl   25.000</para>
      <para>schade muur					fl     4.000</para>
      <para>extra schadevergoeding				fl   29.000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>totale vergoeding					fl 359.417</para>
      <para>afgerond						fl 360.000</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>geschatte aankoopkosten</para>
      <para>overdrachtsbelasting				fl   18.810</para>
      <para>kadaster						fl.       350</para>
      <para>hypotheek						fl.       537</para>
      <para>notariskosten					fl.    1.917</para>
      <para>hypotheekakte					fl.    1.278</para>
      <para>							fl   22.892”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2. Met betrekking tot de hierboven vermelde post “verschil te financieren tegen 6,5% fl 18.525” stelt de belastingdienst P vragen aan de gemeente. Op 5 november 2002 antwoordt de gemeente:</para>
    <para />
    <para>“Het bedrag van fl. 18.525 is 10 maal 6,5% van het verschil tussen de getaxeerde waarde (fl. 285.000) en de aanvaardbare aankoopwaarde (fl. 313.500). De factor 10 is het uitgangspunt in de Onteigeningswet en daarmee is ook de periode waarover het bedrag is berekend duidelijk, namelijk 10 jaar.”</para>
    <para />
    <para>2.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2001 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van € 29.780. In totaal heeft belanghebbende in deze aangifte een bedrag van € 3.175 opgenomen als rente van schulden met betrekking tot de eigen woning  in de zin van artikel 3.120, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.</para>
    <para />
    <para>2.4. De inspecteur heeft per brief van 20 november 2002 aan de gemachtigde van belanghebbende zijn voornemen om af te wijken van de aangifte over het jaar 2001 kenbaar gemaakt. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>“Eigen woning: kosten van geldlening</para>
      <para>In de aangifte heeft u voor deze kosten een bedrag van € 3.175 afgetrokken. (…) Volgens mijn gegevens heeft uw cliënt bij de aankoop van de nieuwe woning een financieringsvergoeding van de gemeente Z ontvangen van € 8.406 (f 18.525) voor een periode van 10 jaar. Voor een periode van 10 jaar is van de betaalde hypotheekrente € 840 per jaar niet aftrekbaar. Met ingang van het jaar 2011 is de betaalde hypotheekrente (€ 136.134,06 x 6,3% = € 8.576) weer volledig aftrekbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>U heeft € 840 te veel afgetrokken. Dit betekent dat het saldo voor de eigen woning dat u in de aangifte heeft berekend, te laag is. Ik ben dan ook van plan om op dit punt van uw aangifte af te wijken met € 840.”</para>
    <para />
    <para>2.5. Vervolgens heeft de inspecteur een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd naar een inkomen van € 30.620. De inspecteur heeft bij het opleggen van deze aanslag een bedrag van € 840 niet in aftrek toegelaten als kosten in verband met de eigen woning.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. Geschil</para>
    <para />
    <para>In geschil is het bedrag dat in aftrek komt als kosten eigen woning.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4. Standpunten van partijen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kort samengevat heeft belanghebbende het volgende gesteld. </para>
      <para>De door de gemeente betaalde vergoeding is geen rentevergoeding, maar een tegemoetkoming in de schade en overlast die een verhuizing van de c-weg met zich mee zou brengen. </para>
      <para>Uiteindelijk hebben de onderhandelingen ertoe geleid dat bij de verkoop van het huis één prijs van € 360.000 is overeengekomen. </para>
      <para>Ik heb mijn huis aan de gemeente  verkocht voordat ik een nieuwe woning had gekocht.</para>
      <para>De gemeente heeft nooit om een bewijs van geldlening met betrekking tot aanschaf van de nieuwe woning gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kort samengevat heeft de inspecteur het volgende gesteld. </para>
      <para>De aanvaardbare aankoopwaarde van het pand is 10% hoger dan de getaxeerde waarde (zijnde ƒ 285.000), derhalve (110% x ƒ 285.000 =) ƒ 313.500. Over het verschil tussen die 2 waarden (ƒ 313.500 -/- ƒ 285.000) vergoedt de gemeente de rentelasten aan belanghebbende gedurende 10 jaren. De gemeente is daarbij uitgegaan van een rentepercentage van 6,5 (ƒ 28.500 x 10 x 6,5% = ƒ 18.525). Nu belanghebbende over een periode van 10 jaar een rentevergoeding heeft ontvangen drukt - gedurende een periode van 10 jaar - de hypotheekrente voor (1/10 x ƒ 18.525 =) ƒ 1.852 (€ 840) jaarlijks niet op belanghebbende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voorts verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, verwijst het Hof naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.  </para>
    <para />
    <para />
    <para>5. Beoordeling van het geschil</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.1. Nu belanghebbende het standpunt van de inspecteur gemotiveerd bestrijdt, rust op laatstgenoemde de last aannemelijk te maken dat de in aftrek gebrachte hypotheekrente in 2001 niet voor ƒ 1.852 (€ 840) op belanghebbende gedrukt heeft. Naar het oordeel van het Hof is de inspecteur daarin niet geslaagd. Van belang acht het Hof dat door belanghebbende gesteld is en het Hof aannemelijk acht dat de gemeente het - onder 2.4 vermelde - bedrag van ƒ 18.525 ook zou hebben moeten betalen in geval belanghebbende geen nieuwe woning, dan wel een nieuwe woning met eigen vermogen zou hebben gekocht en dat het percentage van 6,5 - naar valt af te leiden uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft gesteld - destijds belangrijk hoger was dan het rentepercentage voor hypothecaire geldleningen met een looptijd van 10 jaar. </para>
      <para>Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen, althans onvoldoende causaal verband bestaat tussen genoemd bedrag van ƒ 18.525 en de hypothecaire rentelasten die uit de aankoop van de nieuwe woning voortvloeien. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.2. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbendes beroep gegrond is en dat het belastbaar inkomen moet worden verlaagd met € 840 (ƒ 1.852) tot (€ 30.620 -/- € 840 =) € 29.780.</para>
    <para />
    <para />
    <para>6. Proceskosten</para>
    <para />
    <para>Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) komen in het onderhavige geval hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Het Hof stelt deze kosten vast op € 10 (openbaar vervoer 2e klasse). Nu de gemachtigde belanghebbende beroepsmatig rechtskundig bijgestaan heeft komen tevens rechtsbijstandskosten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Het voor proceshandelingen toe te kennen aantal punten wordt met toepassing van de Bijlage bij het Besluit gesteld op 2 [beroepsschrift (1), verschijning zitting (1)] en de wegingsfactor wegens het gewicht van de zaak op 1 (gemiddeld). De te vergoeden proceskosten in deze zaak komen daarmee uit op € 322 x 2 x 1 = € 644. Van overige voor vergoeding in aanmerking te nemen proceskosten is niet gebleken.</para>
    <para />
    <para />
    <para>7. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
      <para>- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 29.780;</para>
      <para>- gelast verweerder het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden, en;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 654 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>De uitspraak is vastgesteld op 10 februari 2005 door mr. P.F. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Schaik als griffier, ter vervanging van de voornoemde mondelinge uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH  Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden  genomen:</para>
      <para>1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>b. een dagtekening;</para>
      <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>