<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2005:64</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T18:41:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2005-11-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AY7754</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NTHR 2014, afl. 4, p. 198</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:64">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:64</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-05-01T18:11:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2005:64 Gerechtshof Amsterdam , 17-11-2005 / AY7754</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2005:64:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arbitragebeding; prijsafspraken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2005:64:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>GERECHTSHOF TE AMSTERDAM</para>
  <para>EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER</para>
  <para>ARREST</para>
  <para>in de zaak van:</para>
  <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
  <para>
    [appellante] INFRA B.V.,</para>
  <para>gevestigd te Bunschoten,</para>
  <para>APPELLANTE,</para>
  <para>procureur: mr. C.B. Stenger,</para>
  <para>tegen</para>
  <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
  <para>
    [geïntimeerde] WEG- EN WATERBOUW B . V.,</para>
  <para>gevestigd te Varik, gemeente Neerijnen,</para>
  <para>GEÏNTIMEERDE,</para>
  <para>procureur: mr. S.A. van der Sluijs.</para>
  <para>1. Het geding in hoger beroep</para>
  <parablock>
    <para>De partijen worden hierna (</para>
    <para>ook) [appellante] en[geïntimeerde]</para>
    <para>genoemd.</para>
    <para>Bij dagvaarding van 14 januari 2005 is [appellante] in hoger</para>
    <para>beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Utrecht van</para>
    <para>rolnummer C05/315 2</para>
    <para>20 oktober 2004, in deze zaak onder zaak-/rolnummer</para>
    <para>179526/HAZA 04-1299 gewezen tussen haar als gedaagde en</para>
    <para>
      [geïntimeerde] als eiseres.</para>
    <para>
      [appellante] heeft bij memorie drie grieven geformuleerd en</para>
    <para>bewijs aangeboden en voorts producties in het geding gebracht,</para>
    <para>met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal</para>
    <para>vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad,</para>
    <para>alsnog zal bepalen dat de rechtbank zich onbevoegd had dienen</para>
    <para>te verklaren om van de vordering van[geïntimeerde] kennis te</para>
    <para>nemen, met kosten. Hierna heeft [appellante] de Standaard RAW</para>
    <para>Bepalingen 2000 ter griffie gedeponeerd.</para>
    <para>
      [geïntimeerde]heeft bij memorie geantwoord, bewijs aangeboden</para>
    <para>en producties in het geding gebracht, met conclusie, kort</para>
    <para>gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen</para>
    <para>met — uitvoerbaar bij voorraad - kosten.</para>
    <para>Partijen hebben hierna arrest gevraagd op de stukken van beide</para>
    <para>instanties.</para>
  </parablock>
  <para>2. Grieven</para>
  <parablock>
    <para>Voor de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende</para>
    <para>memorie.</para>
  </parablock>
  <para>3. Feiten</para>
  <parablock>
    <para>Als gesteld en niet of onvoldoende bestreden wordt in hoger</para>
    <para>beroep in deze zaak van de navolgende feiten uitgegaan.</para>
    <para>fi) In het jaar 2000 heeft het Waterschap de Maaskant,</para>
    <para>gevestigd te Oss, een aanbesteding uitgeschreven voor</para>
    <para>werkzaamheden bestaande uit de sloop en nieuwbouw van een</para>
    <para>inlaatsluis in de Teeffelensche Wetering met bijbehorende</para>
    <para>werken in het dijktraject Haren-Macheren-Lithoijen.</para>
    <para>ii) Op dit werk hebben onder meer zowel [appellante] als</para>
    <para>
      [geïntimeerde] ingeschreven. Het werk is aan [appellante]</para>
    <para>gegund. Tussen [appellante] en[geïntimeerde] is vervolgens een</para>
    <para>rolnummer C05/315 3</para>
    <para>overeenkomst van onderaanneming tot stand gekomen met</para>
    <para>betrekking tot een deel van de werkzaamheden.</para>
    <para>(iii) [appellante] heeft de overeenkomst van onderaanneming</para>
    <para>schriftelijk vastgelegd bij brief aan[geïntimeerde] van</para>
    <para>19 september 2000. Deze brief eindigt met de voorgedrukte</para>
    <para>tekst:</para>
    <para>“Indien wij binnen 8 dagen na dagtekening van deze</para>
    <para>opdrachtbevestiging geen schriftelijk tegenbericht van U</para>
    <para>hebben ontvangen gaan wij er van uit dat[X]zich met de inhoud</para>
    <para>van dit schrijven kunt verenigen. Onderdeel van deze</para>
    <para>overeenkomst vormen alle algemene bepalingen die gelden in de</para>
    <para>relatie tussen [appellante] Hei- &amp;</para>
    <para>Grondwerken en haar</para>
    <para>opdrachtgever. Dit zijn met name: het bestek, de Standaard</para>
    <para>RAW bepalingen laatstelijk gewijzigd in december 1997 en de</para>
    <para>UAV ‘89. Met nadruk stellen wij dat er op deze opdracht geen</para>
    <para>andere voorwaarden van toepassing kunnen zijn.”</para>
    <para>(iv) De brief van 19 september 2000 is door[geïntimeerde]</para>
    <para>ontvangen. Zij heeft niet aan [appellante] bericht zich niet</para>
    <para>te kunnen vinden in de toepasselijkheid van de voorwaarden die</para>
    <para>gelden in de relatie tussen [appellante] en het Waterschap de</para>
    <para>Maaskant, waaronder de UAV ‘89.</para>
  </parablock>
  <para>4. Beoordeling</para>
  <parablock>
    <para>4.1.1[geïntimeerde] vordert in deze procedure betaling van een</para>
    <para>tweetal facturen die zij [appellante] heeft gezonden terzake</para>
    <para>van bovenbedoelde werkzaamheden, welke facturen [appellante]</para>
    <para>onbetaald heeft gelaten. Het gaat daarbij om een bedrag van</para>
    <para>€ 20.219,15, te vermeerderen met wettelijke rente en</para>
    <para>buitengerechtelij ke kosten.</para>
    <para>4.1.2 [appellante] heeft in eerste aanleg aanstonds bij</para>
    <para>incidentele conclusie de onbevoegdheid van de overheidsrechter</para>
    <para>ingeroepen wegens de volgens haar overeengekomen</para>
    <para>toepasselijkheid van de UAV ‘</para>
  </parablock>
  <para>89 en het arb±tragebeding dat die</para>
  <parablock>
    <para>voorwaarden bevat in artikel 49.2.</para>
    <para>rolnummer C05/315 4</para>
    <para>4.1.3 Dit verweer is door[geïntimeerde] bestreden op de grond</para>
    <para>dat zij niet heeft ingestemd met de toepasselijkheid van de</para>
    <para>voorwaarden genoemd in de voorgedrukte tekst aan liet slot van</para>
    <para>de brief van [appellante] van 19 september 2000. In dat</para>
    <para>verband is door haar aangevoerd dat zij de brief, anders dan</para>
    <para>door [appellante] daarin verzocht, niet voor akkoord getekend</para>
    <para>retour heeft gezonden, omdat zij het op essentiële onderdelen</para>
    <para>niet met de inhoud eens was. Voorts heeft zij in dit verband</para>
    <para>een beroep gedaan op de door haar overgelegde brieven van haar</para>
    <para>aan [appellante] van 3 oktober 2000 en 18 december 2000,</para>
    <para>waarin zij bezwaar maakt tegen de weergave in de brief van</para>
    <para>19 september 2000 van de gemaakte prijsafspraak. Uit die</para>
    <para>brieven zou volgens haar tevens zijn af te leiden dat zij</para>
    <para>bezwaar heeft tegen de inhoud van die brief als geheel.</para>
    <para>Hiernaast heeft[geïntimeerde] aangevoerd dat aan het slot van</para>
    <para>de brief van 19 september 2000 naar verschillende sets</para>
    <para>algemene voorwaarden wordt verwezen, zodat - gelet op</para>
    <para>HR 28 november 1997, NJ 1998, 705 - geen van deze voorwaarden</para>
    <para>van toepassing is. Ook heeft[geïntimeerde], voor het geval de</para>
    <para>UAV ‘89 wel onderdeel van de overeenkomst van partijen zou</para>
    <para>vormen, het arbitragebeding van artikel 49.2 vernietigd op</para>
    <para>grond van artikel 6:233 aanhef en sub b jo artikel 6:234 lid 1</para>
    <para>sub a 3W, omdat [appellante] haar de UAV ‘89 niet bij de</para>
    <para>totstandkoming van de overeenkomst van partijen ter hand heeft</para>
    <para>gesteld.</para>
    <para>4.2 De rechtbank heeft de incidentele vordering van</para>
    <para>
      [appellante] in eerste aanleg afgewezen. Zij heeft daartoe</para>
    <para>overwogen dat[geïntimeerde] noch bij de mondelinge</para>
    <para>totstandkoming van de overeenkomst van partijen noch nadien</para>
    <para>heeft ingestemd met de toepasselijkheid van de UAV ‘89.</para>
    <para>overeenkomstig het verzoek van [appellante] heeft de rechtbank</para>
    <para>op grond van artikel 337 lid 2 Rv tussentijds hoger beroep van</para>
    <para>haar vonnis opengesteld.</para>
    <para>rolnuinmer C05/315 5</para>
    <para>4.3 In haar eerste twee grieven komt [appellante] op tegen liet</para>
    <para>oordeel van de rechtbank dat de toepasselijkheid van de</para>
    <para>UAV ‘89 niet tussen partijen is overeengekomen. In haar</para>
    <para>toelichting op deze grieven wijst [appellante] er onder andere</para>
    <para>op dat[geïntimeerde] haar brief van 19 september 2000 heeft</para>
    <para>ontvangen en blijkens haar brief van 3 oktober 2000 - waarvan</para>
    <para>
      [appellante] overigens in hoger beroep alsnog de ontvangst</para>
    <para>heeft betwist - enkel bezwaar had tegen de weergave van de</para>
    <para>gemaakte prijsafspraak. Voorts wijst [appellante] er in hoger</para>
    <para>beroep op dat, anders dan de rechtbank bij haar oordeel tot</para>
    <para>uitgangspunt heeft genomen,[geïntimeerde] eind september,</para>
    <para>begin oktober 2000 nog niet begonnen was met de overeengekomen</para>
    <para>werkzaamheden. Ook voert [appellante] in hoger beroep</para>
    <para>gemotiveerd aan, onder aanbieding van getuigenbewijs, dat</para>
    <para>
      [geïntimeerde], als bedrijf dat gespecialiseerd is in weg- en</para>
    <para>waterbouw, in bezit is van de UAV ‘89 en de Standaard RAW</para>
    <para>Bepalingen, dat alle weg- en waterbouw in Nederland onder deze</para>
    <para>voorwaarden en bepalingen wordt aanbesteed en dat Van der</para>
    <para>Horst niet anders doet dan inschrijven op aanbestedingen waar</para>
    <para>deze voorwaarden en bepalingen van toepassing zijn.</para>
    <para>In hoger beroep doet [appellante] mede een beroep op het</para>
    <para>arbitrage-beding dat is vervat in paragraaf 49 van de</para>
    <para>Standaard RAW Bepalingen, welk beding gelijkluidend is aan</para>
    <para>artikel 49.2 UAV ‘89.</para>
    <para>4.4 Genoemde grieven van [appellante] zijn gegrond.</para>
    <para>
      [appellante] voert terecht aan dat het gelet op de omvang van</para>
    <para>de opgedragen werkzaamheden voor de hand lag dat de</para>
    <para>overeenkomst van partijen nog nader schriftelijk werd</para>
    <para>vastgelegd. Vaststaat dat[geïntimeerde] die vastlegging door</para>
    <para>
      [appellante] bij brief van 19 september 2000 heeft ontvangen.</para>
    <para>In hoger beroep is alsnog gebleken, als gemotiveerd door [appellante]</para>
    <para> gesteld - mede onder verwijzing naar de inhoud van de</para>
    <para>brief van[geïntimeerde] van 3 oktober 2000 - en niet voldoende</para>
    <para>gemotiveerd door[geïntimeerde] bestreden, dat[geïntimeerde]</para>
    <para>eerst in november 2000 is aangevangen met de haar door [appellante]</para>
    <para> opgedragen werkzaamheden. Het is dus niet zo dat de</para>
    <para>brief van 19 september 2000 kwam op een tijdstip dat[geïntimeerde]</para>
    <para>daar niet meer op behoefde te rekenen en/of dat zij de</para>
    <para>mondeling gemaakte afspraken eventueel als uitputtend mocht</para>
    <para>beschouwen. Dit is ook anderszins niet gemotiveerd door [geïntimeerde]</para>
    <para> in deze procedure gesteld. In dit geding kan daarom</para>
    <para>in het midden blijven of [appellante] de brieven van [geïntimeerde]</para>
    <para>van 3 oktober 2000 en 18 december 2000 heeft ontvangen,</para>
    <para>hetgeen zij in hoger beroep alsnog heeft betwist. In die</para>
    <para>brieven wordt immers alleen bezwaar gemaakt tegen de weergave</para>
    <para>van de prijsafspraak, zodat [appellante], indien zij die</para>
    <para>brieven ontvangen heeft, daaruit heeft mogen afleiden dat [geïntimeerde]</para>
    <para> instemde met de toepasselijkheid van onder andere de</para>
    <para>UAV ‘89 en het daarin vervatte arbitragebeding. Indien [appellante]</para>
    <para>de brieven van 3 oktober 2000 en 18 december 2000</para>
    <para>niet ontvangen zou hebben, heeft zij uit het feit dat Van der</para>
    <para>Horst geen bezwaar maakte tegen de inhoud van de brief van</para>
    <para>19 september 2000 en vervolgens zonder enig voorbehoud</para>
    <para>overging tot uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden,</para>
    <para>mogen afleiden dat[geïntimeerde] instemde met de inhoud van de</para>
    <para>brief van 19 september 2000. Dit zou mogelijk anders geweest</para>
    <para>zijn indien [appellante] er rekening mee had dienen te houden</para>
    <para>dat[geïntimeerde] de brief van 19 september 2000 niet had</para>
    <para>ontvangen of de inhoud ervan voor haar niet duidelijk was.</para>
    <para>Dit is echter gesteld noch gebleken. Vaststaand feit is</para>
    <para>bovendien juist dat[geïntimeerde] de brief heeft ontvangen.</para>
    <para>Uit de overgelegde brief van 3 oktober 2000 leidt het hof</para>
    <para>voorts af dat[geïntimeerde] de inhoud en betekenis van de</para>
    <para>brief van 19 september 2000 ook zonder meer duidelijk is</para>
    <para>geweest. Daarbij neemt het hof mede nog in aanmerking dat [geïntimeerde]</para>
    <para> de hiervoor genoemde stelling van [appellante]</para>
    <para>omtrent, kort gezegd, haar vergaande, bedrijfmatige bekendheid</para>
    <para>met de UAV ‘89 en de Standaard RAW Bepalingen niet gemotiveerd</para>
    <para>heeft betwist, zodat de juistheid van die stelling vaststaat.</para>
    <para>Het hof gaat er daarom vanuit dat[geïntimeerde] goed op de</para>
    <para>hoogte was en is van de inhoud van de UAV ‘89 en de Standaard</para>
    <para>RAW Bepalingen en in de praktijk van haar bedrijfsvoering</para>
    <para>(tenminste) regelmatig met de toepasselijkheid van deze</para>
    <para>voorwaarden te maken heeft.</para>
    <para>rolnummer C05/315 7</para>
    <para>4.5 Het arbitragebeding van artikel 49.2 UAV ‘89 vormt dus</para>
    <para>onderdeel van de overeenkomst van partijen. Hetzelfde geldt</para>
    <para>voor de gelijkluidende bepaling van paragraaf 49 van de</para>
    <para>Standaard PAW Bepalingen. Daarmee dient liet hof in te gaan op</para>
    <para>de hiervoor genoemde andere verweren van[geïntimeerde].</para>
    <para>4.6 Anders dan[geïntimeerde] aanvoert, brengt het feit dat</para>
    <para>door [appellante] naar verschillende sets algemene voorwaarden</para>
    <para>is verwezen niet mee dat de UAV ‘</para>
  </parablock>
  <para>89 of de Standaard RAW</para>
  <parablock>
    <para>Bepalingen te dezen niet van toepassing zouden zijn.</para>
    <para>
      [geïntimeerde] ziet eraan voorbij dat - zoals [appellante]</para>
    <para>onweersproken heeft aangevoerd - het te dezen niet gaat om</para>
    <para>verschillende sets algemene voorwaarden, in die zin dat sprake</para>
    <para>is van algemene voorwaarden die dezelfde onderwerpen op</para>
    <para>verschillende wij ze regelen zonder dat duidelijk is welk set</para>
    <para>in het gegeven geval prevaleert, maar om elkaar aanvullende</para>
    <para>sets, zodat het geval bedoeld in HR 28 november 1997, NJ 1998,</para>
    <para>705 zich hier niet voordoet.</para>
    <para>4.7 Ook het beroep van[geïntimeerde] op artikel 6:233 3W</para>
    <para>faalt. Waar vaststaat dat[geïntimeerde] bedrijfsmatig bekend</para>
    <para>was met en in bezit was van de UAV ‘89 en de Standaard RAW</para>
    <para>Bepalingen in de hiervoor vermelde zin en in de praktijk</para>
    <para>veelvuldig met de toepasselijkheid van deze voorwaarden van</para>
    <para>doen heeft, kan zij geen beroep doen op de omstandigheid dat</para>
    <para>
      [appellante] haar deze voorwaarden niet ter hand heeft gesteld</para>
    <para>bij het bedingen van de toepasselijkheid daarvan. Gelet op</para>
    <para>genoemde bekendheid en bezit moet zij ten tijde van de</para>
    <para>aanvaarding van de toepasselijkheid van de UAV ‘89 en de</para>
    <para>Standaard PAW Bepalingen op de overeenkomst van partijen</para>
    <para>bekend zijn geweest met de daarin voorkomende</para>
    <para>arbitragebedingen, althans kon zij — door [appellante] —</para>
    <para>geacht worden daarmee bekend te zijn.</para>
    <para>4.8 Het beroep van [appellante] op liet arbitragebeding van</para>
    <para>artikel 49.2 UAV en paragraaf 49 van de Standaard PAW</para>
    <para>Bepalingen slaagt dus.</para>
    <para>rolnummer C05/315 8</para>
    <para>De slotsom is derhalve dat het vonnis waarvan beroep</para>
    <para>vernietigd moet worden en dat de incidentele vordering van [appellante]</para>
    <para>alsnog dient te worden gehonoreerd. Het hof zal</para>
    <para>daarom beslissen zoals hierna wordt aangegeven. Grief III</para>
    <para>behoeft geen afzonderlijke bespreking meer.[geïntimeerde]</para>
    <para>heeft als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de</para>
    <para>procedure in beide instanties te dragen.</para>
  </parablock>
  <para>5. Beslissing</para>
  <parablock>
    <para>Het hof:</para>
    <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep;</para>
    <para>en opnieuw rechtdoende:</para>
    <para>verklaart de rechtbank alsnog onbevoegd om van het geschil van</para>
    <para>partijen kennis te nemen;</para>
    <para>verwijst, uitvoerbaar bij voorraad,[geïntimeerde] in de</para>
    <para>proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep en</para>
    <para>begroot die kosten, voorzover tot heden aan de kant van [appellante]</para>
    <para> gevallen, op €</para>
    <para>835,25 voor de eerste aanleg en</para>
    <para>€ 1.270,60 voor het hoger beroep.</para>
    <para>Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, M.P. van</para>
    <para>Achterberg en G. Snijders en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2005</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>