<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2002:14</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-06T16:00:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2002-08-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">114/99</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2000:3" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2000:3</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2003:31" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2003:31</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2006:AX3550" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2006:AX3550</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PS-Updates.nl 2019-1048</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2002:14">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2002:14</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-03T12:51:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2002:14 Gerechtshof Amsterdam , 15-08-2002 / 114/99</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2002:14:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Medische aansprakelijkheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2002:14:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para> rolnummer 114/99	</para>
    <para>15 augustus 2002</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>GERECHTSHOF TE AMSTERDAM</para>
      <para>DERDE MEERVOUDIGE  BURGERLIJKE KAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>dr. [X] ,</para>
      <para>wonende te [Y] , gemeente [Z] , </para>
      <para>APPELLANT IN PRINCIPAAL BEROEP,</para>
      <para>GEÏNTIMEERDE IN INCIDENTEEL  BEROEP,</para>
      <para>procureur: <emphasis role="underline">mr. I.M.C.A. Reinders Folmer</emphasis>,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [A] ,</para>
      <para>2. [B] ,</para>
      <para>beiden optredende voor zichzelf en in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter</para>
      <para>
        [C] , allen wonende te […] , </para>
      <para>GEÏNTIMEERDEN IN PRINCIPAAL BEROEP,</para>
      <para>APPELLANTEN IN INCIDENTEEL  BEROEP,</para>
      <para>procureur: <emphasis role="underline">mr. J.M. Beer</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [X] en [A] c.s. genoemd.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <para />
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak heeft het hof op 21 december 2000 een  tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge voornoemd arrest heeft de door de rechtbank benoemde deskundige prof. dr. G.H.A. Visser op 18 februari 2001 een nader deskundigenbericht uitgebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens	is	de zaak op de zitting van 27 februari 2001 verder	behandeld. Ter	gelegenheid	van	die	behandeling	heeft</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>voornoemde deskundige zijn rapporten, aan de hand van hem door het hof en de raadlieden van partijen gestelde vragen, toegelicht. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Door	[X]	is	daarop	een	akte na comparitie, met producties,	genomen en door [A] c.s. een antwoordakte na comparitie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties wederom overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van al die stukken geldt als hier ingelast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verder beoordeling van de zaak in hoger beroep</title>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het hof verwijst naar en volhardt bij het in deze zaak gewezen tussenarrest van 21 december 2000.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij akte na comparitie heeft [X] het hof verzocht om zowel het nadere rapport van prof. Visser van 18 februari 2001 als zijn mondelinge toelichting ter zitting van 27 februari 2001  bij  de  verdere  beoordeling  van  het  geschil   buiten</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>beschouwing te laten, althans - alvorens verder te beslissen - een comparitie van partijen dan wel een verhoor op vraagpunten te gelasten waarbij prof. De Haan als getuige/deskundige wordt gehoord. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft [X] aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is geweest om ter zitting van 27 februari 2001 het nadere rapport en de mondelinge toelichting daarop van prof. Visser "effectief te becommentariëren". In dit verband heeft [X] er ook op gewezen dat prof. Visser voorafgaand aan zijn nadere deskundigenbericht geen contact met partijen heeft gehad. Ook  is de voorbereidingstijd voor de zitting van 27 februari 2001 (veel) te krap geweest, aldus [X] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Het moge zo zijn dat de voorbereidingstijd voor de zitting van 27 februari 2001 vrij krap is geweest, dit neemt niet weg dat die tijd niet als tè krap is aan te  merken.  Bovendien geldt dat [X] na de zitting van 27 februari 2001 nog in de gelegenheid is geweest, bij akte na comparitie, op het nadere bericht van prof. Visser en diens toelichting  ter zitting van 27 februari 2001 te reageren. Het hof volgt [X] dan ook niet in zijn betoog dat hij niet in de gelegenheid is geweest om de bewuste uitingen van prof. Visser effectief te becommentariëren. De hiervoor weergegeven verzoeken worden om die reden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>In zijn arrest van 21 december 2000 heeft het hof overwogen ter beoordeling van grief II <emphasis role="underline">in principaal beroep</emphasis> - welke grief de klacht bevat dat de rechtbank ten onrechte op basis van het in eerste aanleg door prof. Visser uitgebrachte deskundigenbericht tot het oordeel is gekomen dat [X] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk vakbekwaam vakgenoot in gelijke omstandigheden verwacht had mogen worden - nadere deskundige voorlichting te behoeven. In dat kader heeft het hof bij genoemd arrest nadere vragen aan  prof.</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>Visser voorgelegd en hem om een toelichting ter zitting verzocht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het nadere deskundigenbericht van prof. Visser en diens toelichting ter zitting van 27 februari 2001, acht het hof voorshands - behoudens tegenbewijs: zie hierna onder  2.14</para>
        <para>- bewezen dat [X] tijdens zijn medische begeleiding van de bevalling van [C] niet de hiervoor onder 2.5 omschreven zorgvuldigheid in acht heeft genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <parablock>
        <para>In zijn eerste rapport (van 12 januari 1998) heeft prof. Visser de keus van [X] om in een situatie als de onderhavige (indaling op niveau Hodge 3 of 3+; kruinligging, achterhoofd achter en foetale nood) een tangverlossing toe te passen ongebruikelijk genoemd. In zijn nadere rapport schrijft hij met het woord "ongebruikelijk" te hebben willen aangeven dat de meeste van zijn collegae ook in 1991 in het onderhavige geval in de regel geen tangverlossing toepasten, "gelet op de relatieve contra-indicatie". Met die relatieve  contra­ indicatie doelt prof. Visser, zo blijkt uit zijn  nadere rapport, op de mate van indaling (H3 tot H3+) gecombineerd met het feit dat sprake was van een kruinligging met achterhoofd­ achter. Dit is, aldus prof. Visser, een "prognostisch ongunstiger stand met betrekking tot de vooruitzichten van een vaginale baring dan bij een normale stand van het hoofd en bij een indaling tot Hodge 3 of 3+ kan het bij een dergelijke  stand heel wel zijn dat de grootste diameter van het hoofdje nog niet de bekkeningang is gepasseerd". Bij een dergelijke stand is volgens hem extra  voorzichtigheid geboden en dient men sneller tot een eventuele keizersnee te besluiten, aangezien de kans op een disproportie tussen hoofd en baringskanaal groter is. In dit verband heeft prof. Visser voorts gewezen op het feit dat bij een mate van indaling als voornoemd   (dus   ook   afgezien   van  de   kruinligging met</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>achterhoofd achter) een tangverlossing als een omstreden keuze heeft te gelden (en, naar het hof begrijpt, ook destijds had   te gelden). Hij heeft daartoe verwezen naar een publicatie van prof. dr. G.G.M. Essed uit 1992, onder de vermelding dat Essed al geruime		tijd als expert	geldt op het onderhavige			gebied. Dit		laatste		is	door		[X]		niet	betwist.	Dat		een kruinligging			met achterhoofd				achter		een ongunstiger	stand		is met betrekking tot de vooruitzichten van een vaginale baring (dan een normale stand van het hoofd) heeft [X] evenmin betwist. Hij schrijft	immers in zijn reactie op   het rapport van prof. Haspels (productie 4 bij conclusie van antwoord) dat het	juist	is		dat			bij		die			ligging			"het		vlak	dat		nu	moet passeren		iets		groter			is	dan    bij   een   normale achterhoofdligging". Wel noemt [X] dat verschil slechts "marginaal". Ook in het commentaar van prof. De Haan op het nadere rapport van prof. Visser en diens  toelichting  ter zitting (productie 5 bij akte na camparitie) heeft  het hof  geen duidelijke betwisting gelezen van het bewuste oordeel van prof. Visser. Prof. De Haan stelt slechts dat een kruinligging met achterhoofd achter "zeker niet altijd een verminderde kans op een vaginale baring" geeft. Bij akte na camparitie sub 22 (derde liggende streepje) heeft [X] ter zake van de onderhavige problematiek een bewijsaanbod gedaan. Nu dat niet ziet op de specifieke ligging van het hoofd (kruinligging met achterhoofd achter), acht het hof het desbetreffende bewijsaanbod - gelet mede op het hiervoor overwogene - niet relevant.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>Op zichzelf acht prof. Visser het feit dat [X] in de gegeven omstandigheden voor een tangverlossing heeft gekozen geen beroepsfout, ook al omdat, zoals hij opmerkt, [X] "hier veel expertise mee heeft". Wel diende [X] , naar   het oordeel van prof. Visser, gelet op de hiervoor onder 2.7 genoemde omstandigheden extra op zijn hoede te zijn, omdat   de</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>kans dat "het niet lukt" niet verwaarloosbaar is. Je moet dan de signalen	"goed		oppikken".		En dat		heeft	[X]		volgens prof.	Visser			niet		gedaan:		zowel	het	niet		volgen		van		het hoofdje bij de eerste tractie als het feit dat de tang even later afgleed was, aldus prof. Visser, een aanwijzing dat het hoofdje			moeilijk		door	het		baringkanaal		te	krijgen	was	(met gevaar		voor		een	trauma).	Zowel	in		zijn		eerste	deskundigen­ bericht als in het nadere bericht geeft prof. Visser aan dat [X]	hetzij  op  eerstbedoeld  moment  hetzij op laatst­ bedoeld moment de tangverlossing had dienen te staken  en alsnog tot een keizersnede had moeten besluiten. Prof. Visser is er in dit verband van uitgegaan dat die eerste tractie "een forse" is geweest, hetgeen door [X] niet is betwist. Wel heeft [X] , bij akte na comparitie sub 22, betwist dat  bij de eerste (proef)tractie sprake  is  geweest  van "bovenmatige kracht", doch daarvan is prof. Visser niet uitgegaan. Het desbetreffende bewijsaanbod is derhalve irrelevant.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Alvorens tot een keizersnede te beslissen had [X] ,  zo heeft het hof prof. Visser begrepen, de moeder weeën­ remmende  middelen  moeten  toedienen.  Gelet  op  het foetale</para>
      <parablock>
        <para>hartactiepatroon	was	dat	naar zijn oordeel in de gegeven omstandigheden	mogelijk	geweest.</para>
        <para>Omdat	het	hartactiepatroon</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>diepe	deceleraties	vertoonde	met	herstel	van	de	frequentie</para>
        <para>tussen deze deceleraties in, acht prof. Visser het aannemelijk dat weeëenremming tot afname/verdwijning van de deceleraties zouden hebben geleid, waardoor de conditie van het kind zich had kunnen herstellen. Volgens hem was er geen contra­ indicatie voor het geven van weeënrernmende middelen. Als de hartactie zich zou hebben hersteld - hetgeen prof. Visser, als gezegd, aannemelijk acht - dan had de operatie   (keizersnede)</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>kunnen doorgaan. Zou de hartactie echter laag zijn gebleven, dan	had	hetzij voor het voortzetten van de tangverlossing</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>hetzij niettemin voor een keizersnede (ieder met zijn  eigen  risico's) moeten worden gekozen, aldus begrijpt  het  hof  het oordeel  van  prof.  Visser.  Dat  [X]  onder  de omstandigheden van het onderhavige geval er niet toe  is  overgegaan weeënrernmende middelen te geven acht prof. Visser een   "inschattingsfout".</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2 .10 Gelet  op  voornoemde   uitspraken   van  prof.   Visser   is   het hof voorshands  -  zie  hiervoor  onder  2.6  en  hierna  onder  2.14  -  van  oordeel   dat   [X] ,   door   op  één   van  de  hiervoor    onder</para>
      <para>2.9  aangegeven		momenten	de  door	hem ingezette		procedure	niet (althans		voorlopig)	te			staken		en		[B]			weeën remmende middelen   te		geven   -   met  de  kans  dat	de  hartactie  van het  kind daardoor	zou  herstellen		en  alsdan	operatief	ingegrepen		had kunnen	worden	( keizersnede)		-	een beroepsfout	heeft	gemaakt. Daarmee is			immers   de   kans  verloren  gegaan   dat   [C]  in een betere  conditie  geboren   zou  zijn   dan thans.	Prof.  Visser heeft in  dit	verband  zelfs  verklaard  dat  hij	het  waarschijnlijk  acht dat   [C]   dan zonder  letsel   zouzijn geboren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <parablock>
        <para>De door		[X]		genoemde	omstandigheid	dat	destijds algemeen		aanvaarde     richtlijnen		terzake	ontbraken	-		hetgeen	op zichzelf			niet	is	betwist			maakt		vorenbedoeld	oordeel	niet anders.	Hetzelfde		geldt	voor		het	feit		dat  prof.		De		Haan	in zijn	hiervoor	onder	2. 7  (slot)	bedoeld   commentaar  als   zijn mening  geeft   dat  het  niet   in  strijd  is  metde normen   van   het vak dat een arts onder acute omstandigheden als deze geen weeënrernmende  middelen  geeft,  nu  die  mening  niet  met argumenten is onderbouwd. Prof. De Haan stelt voorts dat "alle buffercapaciteit   bij   het   kind   (was)   verbruikt"   (in    zijn eerdere  rapportage  op 23 maart  1999  heeft  prof.  De  Haan  het   in dit verband overigens over "vrijwel verbruikt" en "praktisch verbruikt")  en dat  er  daarom  geen  tijd  meer  te  verliezen  viel. Deze  stelling  doet  echter   aan  de  oordelen   van  prof.  Visser</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>niet af, nu ook deze uitgaat van een situatie van foetale nood en Visser het juist aannemelijk acht dat de conditie van het kind zich bij weeënremming zou hebben hersteld, althans verbeterd. Ook de door [X] aangevoerde omstandigheid dat een gynaecoloog een beslissing als de onderhavige in korte  tijd en onder hoge druk moet nemen, brengt geen wijziging in vorenbedoeld oordeel van het hof.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>In zijn memorie van grieven sub 4.3 .en 7.2 heeft [X] aangeboden te bewijzen dat onjuist is de visie van prof. Visser dat hij ( [X] ) voor een ongebruikelijke behandelmethode (de tangverlossing) heeft gekozen.  In  het licht van de nuancering die prof. Visser nadien in zijn standpunt terzake heeft aangebracht (zie hiervoor onder 2.7 en 2.8), acht het hof dit bewijsaanbod  irrelevant.  Hetzelfde geldt voor het bij akte na comparitie sub 8 aangeboden bewijs dat de tang bij de eerste (proef)tractie niet is afgeschoten. Daarvan is het hof in zijn oordeelsvorming immers niet uitgegaan (evenmin als prof. Visser).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Met betrekking tot de stellingen die [X] in zijn conclusie na comparitie sub 22 te bewijzen heeft aangeboden geldt dat de eerste zes stellingen niet bewezen behoeven te worden, nu het hof in zijn oordeelsvorming van de juistheid daarvan, althans niet van de onjuistheid daarvan, is uitgegaan (de derde en de vijfde stelling werden overigens hiervoor sub 2.7 (slot)</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr> (</nr>
      <para>respectievelijk sub 2.8 (slot) al irrelevant geoordeeld). Met betrekking tot de zevende en achtste stelling merkt het hof op dat [X] (voorshands) wordt verweten dat hij, hoewel er aanwijzingen waren dat het hoofdje moeilijk  door het baringskanaal te krijgen was (zie hierboven sub 2.8), niettemin de tangverlossing heeft doorgezet. Het gaat dus om  de risico's van het doorzetten van de tangverlossing. Daarop  is  het  bewijsaanbod  van  de  desbetreffende  stellingen niet</para>
      <parablock>
        <para>toegesneden en inzoverre is ook dit bewijsaanbod niet  relevant. Hetzelfde geldt voor het aanbod te bewijzen dat een keizersnede tenminste 30 minuten tijdverlies met zich zou hebben gebracht (de elfde stelling). Uit de toelichting van prof. Visser ter zitting blijkt immers dat ook hij van een tijdverlies in die orde van grootte uitgaat.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <para>Nu [X] dat heeft aangeboden zal hij in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren tegen het hetgeen hiervoor onder 2.6 en 2.10 voorshands als bewezen is geoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <parablock>
        <para>Uit proceseconomische overwegingen zal het hof - hoewel niet in rechte vaststaat dat [X] (kort gezegd) een beroepsfout heeft gemaakt - ook reeds grief III <emphasis role="underline">in principaal </emphasis>beroep behandelen. Deze grief strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte causaal verband heeft aangenomen tussen de handelwijze van [X] en de gestelde schade (in het petitum van de inleidende dagvaarding verwoord met "de als gevolg van de op 30 juni 1991 bij [C] veroorzaakte handicaps"). Volgens [X] heeft de rechtbank  zich over dat verband ten onrechte niet expliciet uitgesproken. Voorts wijst [X] erop dat slechts de schade die het gevolg is van het voortzetten (na de eerste tractie) van de tangverlossing voor vergoeding in aanmerking komt. Omdat juist</para>
        <para>- zo begrijpt het hof de stellingen van [X] - de eerste tractie minder vlot verliep dan de tweede, acht [X] het niet aannemelijk dat de schade (louter) door die tweede  tractie is ontstaan. Ten slotte stelt [X] dat het  zeker</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>niet	onaannemelijk is dat	de tijdsduur	die	gepaard	zou zijn gegaan	met	het	wachten	totdat	een	keizersnede	verricht</para>
        <para> had</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>kunnen	worden	tot	vergelijkbaar,	zo	niet	tot	veel	ernstiger (hersen)letsel zou hebben geleid (dan het letsel dat [C]</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>nu bij de bevalling heeft opgelopen). [X] heeft terzake bewijs aangeboden (zie sub 7.2 van de memorie van grieven).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <parablock>
        <para>Het [X] voorshands verweten handelen (zie hiervoor onder 2.10) valt aan te merken als een gedraging waardoor een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen. Dit risico (hier kortweg te benoemen met: hersenletsel) heeft zich in het onderhavige geval verwezenlijkt. Het hof constateert in dit verband dat  [X] niet heeft gesteld dat het bij [C] na de bevalling geconstateerde letsel (het hof verwijst voor dat letsel naar de brief van de kinderneuroloog Van der Knaap  van</para>
        <para>16 juli 1992; productie 1 bij conclusie van repliek) niet veroorzaakt kàn zijn door hetgeen hem (voorshands) verweten wordt: het voortzetten van de tangverlossing. [X] heeft slechts betwist dat er in dit concrete geval causaal verband bestaat tussen zijn handelen en dat letsel.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18</nr>
      <para>Het vorenstaande betekent dat het causaal verband tussen de [X] (voorshands) verweten gedraging en het bij [C] na haar geboorte geconstateerde letsel in beginsel  is gegeven en dat het aan [X] is te bewijzen dat bedoeld letsel ook zonder de hem (voorshands) verweten gedraging zou zijn ontstaan. [X] heeft dat (tegen)bewijs aangeboden. Tot het leveren daarvan wordt hij in de gelegenheid gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19</nr>
      <para>
        [X] zal zich bij akte kunnen uitlaten over de wijze waarop hij het hiervoor onder 2.14 en  2.18 bedoelde tegenbewijs wenst te leveren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20</nr>
      <parablock>
        <para>De verdere behandeling van de grieven II en III in principaal beroep wordt aangehouden.  Hetzelfde geldt voor  de</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>behandeling	van grief I in principaal	beroep en de  grief in incidenteel beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing </title>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Het hof:</title>
    <para />
    <para> verwijst	de	zaak	naar	de	rol	van	12	september	2002	voor uitlating aan de zijde van [X] als bedoeld in overweging</para>
    <paragroup>
      <nr>2.20 </nr>
      <para>van dit arrest;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest	is gewezen	door rnrs. Rutten-Roos,	Goslings en Du Perron en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2002.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <rs:para xmlns:rs="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0"> </rs:para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>