<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2000:AA5014</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:07:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA5014</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">R97/163/12Sv en R97/176/12Sv</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2000, 266</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2000:AA5014">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2000:AA5014</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2000:AA5014 Gerechtshof Amsterdam , 03-03-2000 / R97/163/12Sv en R97/176/12Sv</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2000:AA5014:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2000:AA5014:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>GERECHTSHOF TE AMSTERDAMGERECHTSHOF TE AMSTERDAM</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking van 3 maart 2000 van de vijfde meervoudige kamer belast met de </para>
      <para>behandeling van burgerlijke zaken op het beklag met de rekestnummer </para>
      <para>R 97/163/12Sv en R 97/176/12Sv van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[klagers]</para>
      <para>p/a mr. J.S. Pen,</para>
      <para>advocaat te Amsterdam,</para>
      <para>Keizersgracht 332,</para>
      <para>1016 EZ Amsterdam,</para>
      <para>klagers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1 De verdere behandeling van de klaagschriften</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1 Het hof verwijst naar zijn beschikking in deze zaak van 30 september 1998. </para>
      <para>Bij die beschikking heeft het hof de stukken die op deze klacht betrekking </para>
      <para>hebben in handen gesteld van de rechter-commissaris belast met de behandeling </para>
      <para>van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam om een onderzoek in </para>
      <para>te stellen naar de vraag of [B.] de Nederlandse nationaliteit bezat ten </para>
      <para>tijde van de "decembermoorden".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2 Bij brief van 30 juli 1999 heeft de genoemde rechter-commissaris de </para>
      <para>resultaten van het door haar en haar collega uitgevoerde onderzoek aan het hof </para>
      <para>doen toekomen. Uit het dossier blijkt dat bij het onderzoek rekening is gehouden </para>
      <para>met de vragen van de zijde van klagers, zoals vervat in de bijlagen bij de </para>
      <para>beschikking van 30 september 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3 De behandeling van het beklag is voortgezet op 17 december 1999. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4 [B.] is niet verschenen. Het hof heeft het ressortsparket verzocht de </para>
      <para>oproeping voor de raadkamerzitting aan [B.] te doen uitreiken. Daaromtrent </para>
      <para>heeft de advocaat-generaal het volgende medegedeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.5 De oproepingen aan verschillende bekende adressen van [B.] zijn op 1 </para>
      <para>november 1999 aan de afdeling Internationale Rechtshulp van het ministerie van </para>
      <para>Justitie gezonden, op 19 november 1999 gevolgd door een officieel </para>
      <para>rechtshulpverzoek, gericht tot de minister van Justitie van de Republiek </para>
      <para>Suriname. Blijkens telefonische mededeling van de procureur-generaal van </para>
      <para>Suriname aan de afdeling Internationale Rechtshulp zouden de onderscheiden </para>
      <para>oproepingen worden uitgereikt op 13 december 1999, doch zou niet te verwachten </para>
      <para>zijn dat een schriftelijke bevestiging van de uitreiking zou worden gegeven. Bij </para>
      <para>deze stand van zaken concludeert het hof dat [B.] behoorlijk is opgeroepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.6 Klagers zijn verschenen, bijgestaan door hun raadslieden mrs. J. Pen en W. </para>
      <para>Oosterbrink. Mr. Pen heeft een pleitnotitie overgelegd en, deels met wijziging </para>
      <para>van de juridische grondslag van dit verzoek, gepersisteerd bij het verzoek aan </para>
      <para>het hof de vervolging van [B.] te gelasten. De advocaat-generaal was bij de </para>
      <para>behandeling aanwezig. Hij heeft een nader verslag aan het hof overgelegd en in </para>
      <para>aanvulling daarop mondeling geconcludeerd tot vervolging van [B.]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2 Had [B.] de Nederlandse nationaliteit op of omstreeks 8/9 december 1982?</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1 Het onderzoek van de rechter-commissaris biedt geen aanknopingspunten voor </para>
      <para>de bevestigende beantwoording van de vraag of [B.] ten tijde van de delicten </para>
      <para>de Nederlandse nationaliteit bezat. Het hof verwijst in dit verband naar de </para>
      <para>bevindingen en conclusies van de deskundige prof. mr. G.-R. de Groot die door de </para>
      <para>rechter-commissaris is benoemd. Het hof neemt die bevindingen en conclusies </para>
      <para>over. In hoofdzaak komen deze erop neer dat het zeer waarschijnlijk is dat </para>
      <para>[B.] op of omstreeks 7 november 1975 per vliegtuig naar Suriname is </para>
      <para>vertrokken, zich aldaar bevond op 25 november 1975 en op dat moment was </para>
      <para>toegetreden tot de krijgsmacht van de nieuwe Republiek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2 In verband met artikel 3 van de Toescheidingsovereenkomst inzake </para>
      <para>nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname </para>
      <para>(Trb. 1975, 132) moet derhalve als vrijwel zeker worden aangenomen dat [B.] </para>
      <para>op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren en gelijktijdig </para>
      <para>de Surinaamse nationaliteit heeft verworven. Er zijn geen aanwijzingen dat hij </para>
      <para>sedertdien wederom Nederlander is geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3 Bij deze stand van zaken moet de conclusie van het hof zijn dat van een </para>
      <para>strafvervolging van [B.] met als uitgangspunt dat hij zich als Nederlander </para>
      <para>in het buitenland aan één of meer van de misdrijven, zoals bedoeld in artikel 5 </para>
      <para>van het Wetboek van Strafrecht, heeft schuldig gemaakt, redelijkerwijs geen </para>
      <para>resultaat kan worden verwacht. Een daarop gebaseerd bevel zal achterwege </para>
      <para>blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3 De feiten en de gerezen bezwaren</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1 Zoals in de beschikking van 30 september 1998 is overwogen, verwijten </para>
      <para>klagers [B.] dat hij het bevel heeft gegeven aan een onder zijn </para>
      <para>verantwoordelijkheid opererende groep militairen tot het executeren van vijftien </para>
      <para>personen, onder wie [slachtoffer1] (de broer van [klager1]) en [slachtoffer2]</para>
      <para>(de neef van [klager2]) op 8 of 9 december 1982 in Ford Zeelandia te </para>
      <para>Paramaribo (Suriname). Het hof begrijpt uit stukken die van de zijde van klagers </para>
      <para>zijn aangedragen, dat zij tevens door de strafrechter onderzocht wensen te zien </para>
      <para>of [B.] zelf aan de executies heeft deelgenomen. Voorts verlangen zij, zo </para>
      <para>blijkt uit de behandeling in raadkamer op 17 december 1999, vervolging van </para>
      <para>[B.] op grond van martelingen die de genoemde groep personen werden </para>
      <para>aangedaan, voordat zij werden gedood.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>3.2 Het dossier bevat een transcriptie van een gesprek van [B.] met de </para>
      <para>lokale tv-zender van Amsterdam, AT-5, waarin hij in kennelijke samenhang met het </para>
      <para>gebeurde in Ford Zeelandia onder meer opmerkt: "Ik ben militair, ik ben in een </para>
      <para>oorlog tegen iemand. Als de man een geweer trekt, zal ik hem niet de gelegenheid </para>
      <para>geven om te schieten. Ik ga eerst schieten en ik ga raak schieten; echt wel! Je </para>
      <para>hoeft niet eens militair te zijn; zij waren geen militair maar ze zouden ook </para>
      <para>schieten... Hij of ik; en ik kies dan voor hij om te gaan... Ik heb de </para>
      <para>verantwoording want ik was hoofd van het leger; ik was de commandant; de </para>
      <para>commander-in-chief, ja toch? Maar ehh; en ik heb daar geen enkel probleem mee. </para>
      <para>Ik heb het al zo vaak gezegd: De baas in het leger is altijd schuldig."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3 Verder zijn de decembermoorden door diverse organisaties onderzocht. De </para>
      <para>Speciale Rapporteur vanwege de Economische en Sociale Raad van de Verenigde </para>
      <para>Naties stelde op basis van zijn bevindingen vast: </para>
      <para>"that summary and arbitrary executions took place on the night of 8-9 December </para>
      <para>in Fort Zeelandia. In view of the fact that there can be no derogation from </para>
      <para>article 6 of the International Covenant on Civil and Political Rights, that </para>
      <para>article is binding also "in time of public emergency which threatens the life of </para>
      <para>the nation and the existence of which is officially proclaimed" (art.4) and </para>
      <para>therefore even if such a threat had existed or was presumed to exist, the </para>
      <para>executions of 8-9 December 1982 cannot be justified and cannot but be considered </para>
      <para>summary or arbitrary. The executions had a traumatic effect on the population of </para>
      <para>Suriname in view of the prominence or stature of the victims."</para>
      <para>De Rapporteur maakt wat de betrokkenheid van [B.] betreft onder meer melding </para>
      <para>van diens officiële aankondiging op 8 december 1982, zakelijk weergegeven, dat </para>
      <para>er een poging tot een staatsgreep was gedaan door een kleine economische elite </para>
      <para>en dat een aantal verdachten gearresteerd was en opgehouden werd voor verhoor. </para>
      <para>Voorts verwijst hij naar de versie van de gebeurtenissen die de Surinaamse </para>
      <para>regering meermalen heeft gegeven. In die versie was [B.] ter plaatse </para>
      <para>aanwezig, nadat er eerst telefonisch contact met hem was geweest tussen majoor </para>
      <para>Horb die het bevel over Ford Zeelandia voerde en heeft hij, [B.], op 9 </para>
      <para>december 1982 zowel tegenover de ministerraad als tijdens een radio-uitzending </para>
      <para>verklaringen afgelegd over het gebeurde. </para>
      <para>(United Nations. Economic and Social Council, 12 February 1985, Commission on </para>
      <para>human rights, Forty-first session, Question of the violation of human rights and </para>
      <para>fundamental freedoms in any part of the world, with particular reference to </para>
      <para>colonial and other dependent countries and territories. Summary or arbitrary </para>
      <para>executions. Report by the Special Rapporteur, Mr. S. Amos Wako, appointed </para>
      <para>pursuant to resolution 1984/35 of 24 May 1984 of the Economic and Social </para>
      <para>Council.) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4 Ook in het Rapport van het Nederlandse Juristen Comité voor de Mensenrechten </para>
      <para>wordt [B.] in verband met de gebeurtenissen genoemd. Zo wordt eveneens </para>
      <para>gerapporteerd dat hij op de avond van 8 december 1982 voor de televisie een </para>
      <para>verklaring aflegde, hierop neerkomende dat het militair gezag een poging tot </para>
      <para>staatsgreep had verijdeld, dat er arrestaties waren verricht en dat er nog </para>
      <para>andere maatregelen waren genomen. Kort daarna werd één van de gearresteerden </para>
      <para>getoond. Het rapport bevat een samenvatting van verklaringen van getuigen die de </para>
      <para>geëxecuteerden in het mortuarium hebben gezien. Volgens deze verklaringen </para>
      <para>vertoonden de dode lichamen kogelwonden en tekenen dat de slachtoffers waren </para>
      <para>gemarteld alvorens te worden gedood.</para>
      <para>(Bijlage bij het onder 7 vermelde rapport: The Events in Paramaribo, Suriname, </para>
      <para>8-13 December 1982: the violent death of 14 Surinamers and one Dutchman. Report </para>
      <para>of the Dutch Lawyers Committee for Human Rights, Chris de Cooker, Chairman, </para>
      <para>Charles Moons, Executive Secretary, Leiden, 14 February 1983).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5 Het dossier van het hof bevat voorts onder meer een kopie van een boekwerk </para>
      <para>van een anonieme schrijver onder de titel "De Decembermoorden in Suriname. </para>
      <para>Verslag van een ooggetuige" (inmiddels ook gepubliceerd onder de naam Sariman). </para>
      <para>Deze publicatie bevat gedetailleerde gegevens over de gebeurtenissen en de </para>
      <para>betrokkenheid van [B.] daarbij, volgens de schrijver opgetekend uit - </para>
      <para>voornamelijk - de mond van voornoemde Horb, volgens wie [B.] zelf actief aan </para>
      <para>de beschreven martelingen en schietpartijen heeft deelgenomen.</para>
      <para>(Jan Sariman, in: Geert Mak, René van Stipriaan, Ooggetuigen van de </para>
      <para>wereldgeschiedenis in meer dan honderd rapportages, Prometheus, Amsterdam 1999).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6 Op grond van voormelde aanwijzingen, te zamen genomen en in onderling </para>
      <para>verband beschouwd, stelt het hof vast dat er ernstige verdenking en bezwaren ten </para>
      <para>laste van [B.] bestaan dat hij bij de onderhavige gebeurtenissen een </para>
      <para>belangrijke rol heeft gespeeld en deswege medeverantwoordelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7 Gelet op het inmiddels opgetreden tijdsverloop en de omstandigheid dat het </para>
      <para>beschikbare materiaal deels is gebaseerd op verklaringen van getuigen wier </para>
      <para>identiteit niet bekend is en deels, ofschoon bezwarend, naar voorshands moet </para>
      <para>worden aangenomen, op verscheidene gronden niet zonder meer als bewijsmateriaal </para>
      <para>zou kunnen worden gebruikt, kan de zaak niet rijp voor een terechtzitting worden </para>
      <para>geacht. Het hof deelt dan ook het uitgangspunt van zowel de advocaat-generaal </para>
      <para>als de raadsman van klagers dat een eventueel bevel tot vervolging vergezeld zou </para>
      <para>moeten gaan van de last dat de officier van justitie zal vorderen dat de </para>
      <para>rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken een gerechtelijk </para>
      <para>vooronderzoek ter zake zal instellen. Dat onderzoek zal mede dienen te worden </para>
      <para>gericht op het daderschap van [B.] (zelf plegen, functioneel daderschap, </para>
      <para>medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.8 De verdenking en de bezwaren zijn naar het oordeel van het hof intussen van </para>
      <para>een zodanige zwaarte dat [B.] voor een strafrechter ter verantwoording </para>
      <para>behoort te worden geroepen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4 Berechting door de Nederlandse rechter?</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 De vraag is of de Nederlandse rechter met de berechting kan en moet worden </para>
      <para>belast. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2 Het hof stelt voorop dat het instellen van een strafrechtelijk onderzoek ter </para>
      <para>zake van de op het eigen grondgebied mogelijk gepleegde strafbare feiten, die </para>
      <para>schendingen van mensenrechten opleverden, in beginsel een verplichting is die </para>
      <para>voor de Republiek Suriname voortvloeit uit het Internationaal verdrag inzake </para>
      <para>burgerrechten en politieke rechten, waarbij het sinds 1977 partij is. (The </para>
      <para>United Nations and Human Rights, 1945-1995, New York 1995, p. 507). Juist is </para>
      <para>echter de stelling van de raadsman van klagers dat niet te verwachten valt dat </para>
      <para>[B.] in Suriname of elders in de wereld op afzienbare termijn zal worden </para>
      <para>vervolgd en berecht ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft. </para>
      <para>Nederland heeft nauwe historische banden met Suriname. In Nederland bevindt zich </para>
      <para>een grote, uit Suriname afkomstige, bevolkingsgroep. De gebeurtenissen in </para>
      <para>december 1982 hebben bij deze groep, maar ook in Nederland in ruimere kring, een </para>
      <para>schok veroorzaakt. Er zijn aanwijzingen dat ten minste één der slachtoffers, </para>
      <para>maar mogelijk meer, de Nederlandse nationaliteit bezat. Ten slotte wonen </para>
      <para>klagers, verwanten van twee van de slachtoffers, in Nederland. Nu, zoals </para>
      <para>hiervoor overwogen, een vervolging elders ter wereld op afzienbare termijn niet </para>
      <para>te verwachten is, hebben zij zich dan ook gewend tot de meest aangewezen </para>
      <para>overheid. Vervolging in Nederland zou op grond van dit alles opportuun zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3 Hiermee is de in 4.1 gestelde vraag echter nog niet beantwoord. Zij houdt </para>
      <para>verband met complexe vraagstukken van volkenrechtelijke aard, waarover het hof </para>
      <para>mede nadere voorlichting noodzakelijk acht, zoals hierna te overwegen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5 De strafbaarheid van deze handelingen naar volkenrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.1 Inleiding</para>
      <para>Voor de vervolging door het Nederlands Openbaar Ministerie en berechting door de </para>
      <para>Nederlandse rechter van de onderhavige mogelijk door [B.] (mede) gepleegde </para>
      <para>delicten, moet worden bezien of zij folteringen waren, oorlogsmisdrijven of </para>
      <para>misdrijven tegen de menselijkheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.2 Folteringen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.1 Nederland heeft in het Verdrag tegen foltering en andere wrede, </para>
      <para>onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Verdrag van 10 december </para>
      <para>1984, Trb. 1985, 69) met de andere verdragsluitende partijen onder meer </para>
      <para>afspraken gemaakt over de vestiging van rechtsmacht aangaande de vervolging en </para>
      <para>bestraffing van personen die de desbetreffende ernstige misdrijven hebben </para>
      <para>begaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.2 De Uitvoeringswet Folteringverdrag verklaart de Nederlandse strafwet </para>
      <para>toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan een van de misdrijven </para>
      <para>schuldig maakt die in de wet omschreven zijn. Artikel 1, eerste lid, van de </para>
      <para>Uitvoeringswet stelt strafbaar mishandeling gepleegd door een ambtenaar of een </para>
      <para>anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van </para>
      <para>zijn functie aan iemand die van zijn vrijheid is beroofd, met het oogmerk om </para>
      <para>inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen, hem of een </para>
      <para>ander vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden, of uit </para>
      <para>minachting voor diens aanspraken op menselijke waardigheid. Het tweede lid van </para>
      <para>dit artikel stelt met mishandeling gelijk het opzettelijk teweegbrengen van een </para>
      <para>toestand van hevige angst of een andere vorm van ernstige geestelijke </para>
      <para>ontreddering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.3 Naar het oordeel van het hof moet voorshands worden aangenomen dat </para>
      <para>[B.] ten tijde hier van belang in Surinaamse krijgsdienst was (rov. 2.1 van </para>
      <para>deze beschikking), zodat hij de hoedanigheid bezat die de Uitvoeringswet </para>
      <para>Folteringverdrag vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.4 Voorts bestaat er een redelijk vermoeden dat de folteringen zijn begaan om </para>
      <para>de slachtoffers, die van hun vrijheid waren beroofd, vrees aan te jagen, te </para>
      <para>bestraffen en uit minachting voor hun aanspraken op menselijke waardigheid en/of </para>
      <para>dat, nog los van de fysieke folteringen, het opzet was gericht op het </para>
      <para>teweegbrengen van hevige angst of een andere vorm van ernstige geestelijke </para>
      <para>ontreddering als voormeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.5 De slachtoffers zijn gedood. In het derde lid van artikel 1 van de </para>
      <para>Uitvoeringswet is bepaald dat, indien het feit de dood tengevolge heeft, de </para>
      <para>schuldige wordt gestraft met de aldaar vermelde straffen. Deze bepaling lijkt </para>
      <para>ervan uit te gaan dat het opzet niet op de dood behoeft te zijn gericht en dat </para>
      <para>sluit derhalve wellicht toepassing van de Uitvoeringswet in het onderhavige </para>
      <para>geval uit indien het opzet van de daders primair op het doden was gericht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.6 Voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde feitelijke en </para>
      <para>juridische vragen zal verder onderzoek noodzakelijk zijn. Het hof sluit niet uit </para>
      <para>dat de strafrechter op grond van het vorenstaande tot de bevinding zal komen, </para>
      <para>dat de executie van de slachtoffers niet onder de werking van meergenoemde wet </para>
      <para>valt. Voorts kan niet worden uitgesloten dat verwondingen zijn toegebracht nadat </para>
      <para>de slachtoffers reeds waren gedood. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.7 Voorshands tekent het hof met betrekking tot het hiervoor overwogene </para>
      <para>echter aan dat het niet goed begrijpelijk zou zijn, indien rechtens zou moeten </para>
      <para>worden aangenomen dat een foltering die de dood ten gevolge heeft in de </para>
      <para>geschetste omstandigheden wél hier te lande kan worden bestraft, maar niet een </para>
      <para>moord die door een foltering is voorafgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2.8 De toepassing van de Uitvoeringswet Folteringverdrag op het anterieure </para>
      <para>gebeuren op 8/9 december 1982, roept daarnaast ook weer complexe vragen op die </para>
      <para>eveneens deels betrekking hebben op het volkenrechtelijk gewoonterecht. Deze </para>
      <para>vragen zullen tevens worden betrokken bij het verzoek om voorlichting als hierna </para>
      <para>te overwegen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.3 Oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid?</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3.1 Het hof dient bij de beoordeling van de klaagschriften voorts na te gaan </para>
      <para>of vervolging en berechting van [B.] ter zake van de executies uit anderen </para>
      <para>hoofde dan op grond van de Uitvoeringswet Folteringverdrag mogelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3.2 Naar het voorlopig oordeel van het hof zijn er onvoldoende aanwijzingen </para>
      <para>dat zodanige delicten oorlogsmisdrijven zijn. Het gaat naar het zich laat </para>
      <para>aanzien niet om een langdurig gewapend conflict tussen regeringsautoriteiten en </para>
      <para>georganiseerde bewapende groepen of tussen zulke groepen binnen een staat, doch </para>
      <para>integendeel om een tot de overheid behorende groep gewapende personen tegenover </para>
      <para>een groep weerloze, ongewapende burgers. Om elke twijfel dienaangaande uit te </para>
      <para>sluiten, zal het hof desniettemin voorlichting vragen omtrent de toepassing van </para>
      <para>het oorlogsrecht in deze zaak.</para>
      <para>Vgl. ICTY in de zaken Tadic (par. 70) en Furundzija (par. 59) : "An armed </para>
      <para>conflict exists whenever there is a resort to armed force between States or </para>
      <para>protracted armed violence between governmental authorities and organised armed </para>
      <para>groups or between such groups within a State."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3.3 De in 5.3.1 gestelde vraag moet in beginsel bevestigend worden beantwoord, </para>
      <para>indien deze executies naar de stand van het volkenrechtelijk gewoonterecht in </para>
      <para>december 1982 kunnen worden aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid. In </para>
      <para>het algemeen moet het gaan om zeer ernstige strafbare feiten die zich kenmerken </para>
      <para>door hun onmenselijke karakter en die gericht zijn tegen de gehele bevolking of </para>
      <para>tegen een bevolkingsgroep.</para>
      <para>Vgl. artikel 6 van het Handvest van het Tribunaal van Neurenberg: </para>
      <para>"namely, murder, extermination, enslavement, deportation, and other inhumane </para>
      <para>acts committed against any civilian population, before or during the war; or </para>
      <para>persecutions on political, racial or religious grounds in execution of or in </para>
      <para>connection with any crime within the jurisdiction of the Tribunal whether or not </para>
      <para>in violation of the domestic law of the country where perpetrated."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3.4 Het hof is voorshands van oordeel dat in de recente rechtsontwikkeling </para>
      <para>belangrijke aanknopingspunten te vinden zijn dat niet of niet langer beslissend </para>
      <para>is dat een misdrijf in elk geval op massale schaal moet zijn begaan om als </para>
      <para>misdrijf tegen de menselijkheid te worden beschouwd. Een dergelijk misdrijf kan </para>
      <para>zich naar de voorlopige bevinding van het hof ook voordoen als het delict op </para>
      <para>systematische wijze is begaan en/ of voorbereid ten opzichte van een </para>
      <para>bevolkingsgroep.</para>
      <para>Het hof verwijst daartoe naar de hierna genoemde rechtspraak en regelgeving.</para>
      <para>* BRvC 11.04.1949, NJ 1949, 425 (Ahlbrecht-II): "dat toch dit begrip in zijn </para>
      <para>kennelijke tegenstelling tot de "oorlogsmisdrijven" in engeren zin en in het </para>
      <para>licht van de op grond van het Handvest tot ontwikkeling gekomen rechtspraak van </para>
      <para>zowel het internationale Militaire Tribunaal van Neurenberg als van </para>
      <para>verschillende geallieerde gerechten, met de berechting van oorlogsmisdadigers </para>
      <para>belast, in dien zin beperkt moet worden uitgelegd, dat misdrijven van deze </para>
      <para>categorie worden gekarakteriseerd hetzij door hun ernst en barbaarsheid, hetzij </para>
      <para>door hun omvang, hetzij door de omstandigheid, dat zij deel uitmaken van een </para>
      <para>systeem van terreurhandelingen, of een schakel vormen in een doelbewust gevolgde </para>
      <para>politiek, gericht tegen bepaalde bevolkingsgroepen(...)". </para>
      <para>* HR 17.01.1981, NJ 1981, 79 (Menten): misdrijven tegen de menselijkheid zijn </para>
      <para>misdrijven die "deel uitmaken van een systeem van terreurhandelingen of een </para>
      <para>schakel vormen in een doelbewust gevolgde politiek, gericht tegen bepaalde </para>
      <para>bevolkingsgroepen".</para>
      <para>* Statuut van het ICTR (Rwanda-tribunaal). De Engelse tekst van artikel 3 van </para>
      <para>dit statuut spreekt van misdrijven "committed as part of a widespread or </para>
      <para>systematic attack against any civilian population". </para>
      <para>De Franse tekst spreekt echter van een "attaque géneralisée ET systematique". </para>
      <para>Het Rwanda-tribunaal (in de zaak-Akayesu) overweegt hieromtrent echter dat </para>
      <para>aangenomen moet worden dat deze tekst op een onjuiste vertaling berust,</para>
      <para>"Since Customary International Law requires only that the attack be either </para>
      <para>widespread or systematic (...)"</para>
      <para>* Beslissing van het Yoegoslavië-tribunaal van 7 mei 1997 in de zaak Tadic: de </para>
      <para>aanval op een "civilian population" moet ofwel "widespread" ofwel "systematic" </para>
      <para>zijn. </para>
      <para>* In de beslissing van het ICTR van 2 september 1998 in de reeds genoemde zaak </para>
      <para>Akayesu wordt aandacht besteed aan de inhoud van de termen "widespread" en </para>
      <para>"systematic". Het ICTR zegt daarover: </para>
      <para>"The concept of "widespread" may be defined as massive, frequent, large scale </para>
      <para>action, carried out collectively with considerable seriousness and directed </para>
      <para>against a multiplicity of victims. The concept of "systematic" may be defined as </para>
      <para>thoroughly organized and following a regular pattern on the basis of a common </para>
      <para>policy involving substantial public or private ressources".</para>
      <para>* Code of Crimes against the Peace and Security of Mankind, in 1996 opgesteld </para>
      <para>door de International Law Commission. Artikel 18 van dit ontwerp omschrijft </para>
      <para>misdrijven tegen de menselijkheid als handelingen "committed in a systematic </para>
      <para>manner or on a large scale and instigated or directed by a Government or by any </para>
      <para>organization or group".</para>
      <para>* Artikel 7 van het Rome Statuut van een Strafhof, aanvaard in juli 1998. Lid 1 </para>
      <para>van dit artikel definieert misdrijven tegen de menselijkheid als "acts when </para>
      <para>committed as part of a widespread or systematic attack directed against any </para>
      <para>civilian population." Lid 2 voegt daaraan toe dat onder een "attack against any </para>
      <para>civilian population" moet worden verstaan: "a course of conduct involving the </para>
      <para>multiple commission of acts referred to in paragraph 1 against any civilian </para>
      <para>population, pursuant to or in furtherance of a State or organizational policy to </para>
      <para>commit such attack". </para>
      <para>De tekst van dit artikel is, blijkens een recente publicatie, een compromis </para>
      <para>tussen voorstanders van een "alternatief" vereiste en die van een "cumulatief" </para>
      <para>vereiste. (D. Robinson, Defining "Crimes against Humanity" at the Rome </para>
      <para>Conference, in: The American Journal of International Law, Vol.93:22, pp. 43 </para>
      <para>e.v.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3.5 Ten einde elke twijfel uit te sluiten aangaande de vraag of de </para>
      <para>gebeurtenissen op 8/9 december 1982 als "begaan op massale schaal" kunnen worden </para>
      <para>beschouwd, zal de nader te noemen deskundige worden gevraagd hierover eveneens </para>
      <para>rapport uit te brengen. Het hof sluit geenszins uit dat de desbetreffende </para>
      <para>gedragingen misdrijven tegen de menselijkheid zijn, voor zover zij voldoen aan </para>
      <para>het vereiste dat zij op systematische wijze ten opzichte van een bevolkingsgroep </para>
      <para>zijn begaan en/of voorbereid. Ook dienaangaande zal advies worden gevraagd, </para>
      <para>tegen de achtergrond van de volgende bevindingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.3.6 Het gaat in dit geval niet om sporadisch geweld op individuele basis. Er </para>
      <para>lijkt integendeel sprake te zijn geweest van een doelbewuste liquidatie van een </para>
      <para>selecte groep personen. De selectie heeft systematisch plaatsgevonden door </para>
      <para>overheidsfunctionarissen, waarbij het er kennelijk om ging de betrokken groep </para>
      <para>die behoorde tot de intellectuele bovenlaag als mogelijke vijanden van het </para>
      <para>politieke bewind in Suriname te elimineren. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze </para>
      <para>eliminatie, die op zichzelf reeds een grove schending betekende van het recht op </para>
      <para>leven en de integriteit van de slachtoffers, gepaard ging met en werd </para>
      <para>voorafgegaan door een bijzondere wreedheid met miskenning van hun menselijke </para>
      <para>waardigheid. De bovengenoemde Speciale</para>
      <para>Rapporteur stelde overigens vast dat de moord op de vijftien slachtoffers in de </para>
      <para>nacht van 8 op 9 december 1982 niet op zichzelf stond, aangezien vóór december </para>
      <para>1982 en daarna personen zijn gedood of gearresteerd na een botsing met het </para>
      <para>militaire apparaat of met individuele leden daarvan (o.c., par. 54). In zoverre </para>
      <para>zou sprake zijn van een "course of conduct" in de zin van artikel 7, tweede lid, </para>
      <para>van het genoemde Rome Statuut. De desbetreffende misdrijven strekten er </para>
      <para>kennelijk tevens toe de bevolking van Suriname te intimideren en elke verdere </para>
      <para>oppositie tegen het bewind in de kiem te smoren. Daarop wijzen onder meer de </para>
      <para>berichten over het tentoonstellen van de stoffelijke overschotten van de </para>
      <para>slachtoffers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.4 Het hof acht, zoals uit het voorgaande blijkt, voorlichting nodig. Het denkt </para>
      <para>aan een deskundige op het gebied van het volkenrechtelijk gewoonterecht.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>5.5 Het gaat daarbij voorshands in ieder geval om de volgende vragen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5.1 Kunnen naar de stand van het volkenrechtelijk gewoonterecht in 1982 de </para>
      <para>hierboven en nader in het Rapport van de Speciale Rapporteur, vermeld onder 3.3, </para>
      <para>beschreven feiten, wanneer zij inderdaad blijken te zijn begaan, worden </para>
      <para>beschouwd als folteringen, misdrijven tegen de menselijkheid of </para>
      <para>oorlogsmisdrijven, die voor de dader individuele strafrechtelijke </para>
      <para>aansprakelijkheid scheppen krachtens ditzelfde recht?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5.2 Kan naar de stand van het volkenrechtelijk gewoonterecht in 1982, dan wel </para>
      <para>vanaf enig later tijdstip, worden gezegd dat dezelfde handelingen reeds </para>
      <para>onverjaarbaar waren naar (dwingend) volkenrechtelijk gewoonterecht?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5.3 Geeft het volkenrechtelijk gewoonterecht naar de stand van 1982, dan wel </para>
      <para>vanaf enig later tijdstip, aan een staat de bevoegdheid extraterritoriale </para>
      <para>strafrechtelijke rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de vermoedelijke dader </para>
      <para>van het misdrijf van foltering en het misdrijf tegen de menselijkheid, wanneer </para>
      <para>deze dader niet de nationaliteit van deze staat heeft?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5.4 Maakt het voor de beantwoording van de vorige vraag verschil of de </para>
      <para>vermoedelijke dader zich op het grondgebied van deze staat bevindt?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5.5 Maakt het voor het antwoord op dezelfde vraag (5.5.3) verschil of de </para>
      <para>slachtoffers van deze misdrijven de nationaliteit van deze staat hebben of niet?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5.6 Verplicht het volkenrechtelijke gewoonterecht naar de stand van 1982, dan </para>
      <para>wel vanaf enig later tijdstip, een staat tot het vestigen van extraterritoriale </para>
      <para>rechtsmacht onder de omstandigheden als genoemd in 5.5.3, 5.5.4 en 5.5.5?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.5.7 Welke opmerkingen wenst U - mede gelet op wat in deze beschikking </para>
      <para>overigens nog is overwogen - verder nog te maken die voor de beslissing op de </para>
      <para>klaagschriften van belang kunnen zijn? </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.6 De advocaat-generaal en klagers en hun raadsman kunnen binnen drie weken na </para>
      <para>dagtekening van deze beschikking aan de griffier van het hof aanvullende vragen </para>
      <para>opgeven, die aan de deskundige zouden moeten worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.7 Daarna zal de deskundige door het hof worden benoemd en beëdigd, met het </para>
      <para>verzoek binnen een nader in overleg met hem te bepalen termijn aan het hof te </para>
      <para>rapporteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.8 Overigens zijn in deze zaak ook belangrijke vragen aan de orde naar de </para>
      <para>doorwerking van volkenrechtelijk gewoonterecht in de Nederlandse rechtsorde. Het </para>
      <para>hof is voornemens daarop in te gaan na kennisneming van het rapport van de </para>
      <para>deskundige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.9 Het hof ziet ten slotte aanleiding te bepalen dat deze beschikking algemeen </para>
      <para>verkrijgbaar wordt gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.10 Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
    <para />
    <para>Beslissing:</para>
    <para />
    <para>Het hof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verstaat dat het hof bij nadere beschikking een deskundige zal benoemen op het </para>
      <para>gebied van het volkenrechtelijke gewoonterecht en dat hem de in deze beschikking </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>genoemde vragen zullen worden voorgelegd;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt klagers, hun raadsman of raadslieden, alsmede de advocaat-generaal in de </para>
      <para>gelegenheid om binnen drie weken na dagtekening van deze beschikking aanvullende </para>
      <para>vragen aan de griffier van het hof op te geven als bedoeld in rov. 5.6 van deze </para>
      <para>beschikking;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de tekst van deze beschikking algemeen verkrijgbaar zal worden </para>
      <para>gesteld;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>houdt elke verdere beslissing aan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vijfde meervoudige burgerlijke kamer waarin </para>
      <para>zitting hadden mrs. H.L.C. Hermans, J.H.M. Willems en M.W.E. Koopmann, bijgestaan door M. Jobsis als griffier en uitgesproken in raadkamer op vrijdag 3 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegen deze beschikking staat geen gewoon rechtsmiddel open.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>