<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2026:194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T15:56:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/2225 WMO15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:194">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T16:07:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2026:194 Centrale Raad van Beroep , 19-02-2026 / 24/2225 WMO15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2026:194:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing maatwerkvoorziening Wmo 2015 voor opvang. Appellante is zelfredzaam en kan zich handhaven in de samenleving. Er is sprake van een huisvestingsprobleem door een te kort aan woonruimte. De Wmo is niet bedoeld om dit probleem op te lossen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2026:194:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>24/2225 WMO15</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 augustus 2024, 23/5553 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 19 februari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">SAMENVATTING</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag van appellante om opvang op grond van de Wmo 2015 terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat en kantoorgenoot van mr. Kaplan, heeft mr. Kaplan opgevolgd als gemachtigde van appellante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft – middels beeldbellen – plaatsgevonden op 8 januari 2026. Namens appellante is mr. N. Talhaoui, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bozbiyik, verschenen. Het college is niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante, geboren in 1979, heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft tussen 2012 en 2022 in Marokko gewoond met haar echtgenoot en haar kinderen. Na eerst elders in onderdak te hebben voorzien, heeft appellante zich op 16 mei 2023 bij het college gemeld voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het college heeft met een besluit van 19 mei 2023<emphasis role="bold">,</emphasis> na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 juli 2023 (bestreden besluit), de aanvraag van appellante om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet voor een maatwerkvoorziening opvang in aanmerking komt omdat zij voldoende zelfredzaam is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor opvang. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat appellante in staat is zich te handhaven in de samenleving. Appellante heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft zich zowel in Nederland als in Marokko zonder ondersteuning jarenlang kunnen handhaven. Ook heeft appellante op eigen kracht de reis met haar kinderen naar Nederland geregeld. Verder is zij door haar netwerk opgevangen, ontvangt zij een bijstandsuitkering in aanvulling op parttime inkomsten uit arbeid, heeft zij toeslagen aangevraagd en beschikt zij over een inschrijfadres. Het beroep van appellante op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt niet. Het belang van het kind dient weliswaar voorop te staan, maar de positieve verplichting gaat niet zo ver dat het college aan iemand die zelf in de noodzakelijke voorzieningen voor opvang en de ontwikkeling van het minderjarige kind kan voorzien, onderdak en voorzieningen moet verstrekken. Appellante heeft altijd voor haar kinderen en voor onderdak gezorgd. De kinderen gaan naar school en verblijven bij haar zwager. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van appellante </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij wegens huiselijk geweld met haar kinderen naar Nederland is gekomen. Appellante is niet in staat zich op eigen kracht of met hulp uit haar sociaal netwerk te handhaven in de samenleving. Appellante heeft een antikraakwoning gevonden, maar het is onbekend hoe lang zij hier kan blijven wonen. Verder houdt het college onvoldoende rekening met de belangen van de kinderen. De kinderen van appellante wonen bij haar zwager. Hij heeft aangegeven dat de kinderen niet langer bij hem kunnen blijven wonen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van het college</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante geen procesbelang heeft. Appellante heeft zelf in onderdak voor haar en haar kinderen voorzien. Zij woont sinds 12 juli 2023 in een antikraakwoning, samen met haar inmiddels meerderjarige oudste zoon. De twee jongste kinderen wonen bij haar zwager. Voor zover appellante wel procesbelang heeft, heeft het college bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Appellante heeft toegelicht dat zij met het hoger beroep wil bereiken dat zij met haar kinderen een plek in de opvang krijgt. Appellante heeft daarom procesbelang bij de beoordeling van het hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Zij heeft zich beperkt tot wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom deze gronden niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met de overwegingen van de rechtbank en het op grond hiervan gewezen oordeel over de beroepsgronden en verwijst daarnaar. De Raad voegt daar nog aan toe dat het gestelde huiselijke geweld reeds bij gebrek aan onderbouwing niet tot een ander oordeel leidt. Alles wijst erop dat appellante vooral een huisvestingsprobleem heeft door de schaarste op de woningmarkt. De Wmo 2015 is niet bedoeld om dit probleem op te lossen.<footnote-ref linkend="_666602cd-8e66-4212-a816-603cced897ae" /> Voor wat betreft de minderjarige kinderen wordt nog toegevoegd dat ter zitting is gebleken dat deze ook nu nog verblijven bij de zwager van appellante, die in haar directe nabijheid woont. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Conclusie en gevolgen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Uit wat in 4.2 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para> (getekend) L.M. Tobé </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) F.M. Gerritsen </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_666602cd-8e66-4212-a816-603cced897ae" label="1">
    <para> Zie CRvB 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>