<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2026:184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T09:34:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1456 WMO15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:184">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T09:33:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2026:184 Centrale Raad van Beroep , 19-02-2026 / 24/1456 WMO15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2026:184:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op een verzet. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat voor doorbreking van het wettelijk appelverbod. De Raad komt tot het oordeel dat daarvoor geen grond bestaat. Om die reden verklaart de Raad zich onbevoegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2026:184:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24/1456 WMO15</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 maart 2024, 23/2715 (aangevallen uitspraak) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 19 februari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">SAMENVATTING</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op een verzet. De Raad beoordeelt of aanleiding bestaat voor doorbreking van het wettelijk appelverbod. De Raad komt tot het oordeel dat daarvoor geen grond bestaat. Om die reden verklaart de Raad zich onbevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2026. Voor appellante is mr. Sprakel via videobellen verschenen. Het college heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door E. de Jong en M. van Herwijnen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante heeft het college in gebreke gesteld een beslissing te nemen op haar bezwaarschrift en verzocht om toekenning van een dwangsom. Het college heeft op 28 september 2022 een dwangsombesluit genomen. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat de dwangsom hoger moet zijn, omdat het college haar niet heeft laten weten dat een adviescommissie is ingesteld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 14 september 2023 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich bij het bepalen van de hoogte van de verbeurde dwangsom terecht op het standpunt gesteld dat uit artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) direct voortvloeit dat een beslistermijn van twaalf weken geldt als een adviescommissie is ingesteld. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:184, rechtsoverweging 8.3. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Appellante heeft een verzetschrift ingediend tegen de uitspraak van 14 september 2023. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van appellante</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank op haar verzet en heeft verzocht om doorbreking van het wettelijk appelverbod. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. In dit geschil ligt de vraag voor of dit wettelijk appelverbod buiten toepassing moet blijven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Voor doorbreking van een wettelijk appelverbod kan aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is.<footnote-ref linkend="_01f63fa8-7a24-4416-82cd-0479151532f8" /> In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is. Appellante heeft haar zaak na vereenvoudigde behandeling door middel van verzet kunnen voorleggen aan een rechter en die heeft daarop – na de gemachtigde van appellante tijdens de behandeling ter zitting te hebben gehoord – uitspraak gedaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het standpunt van appellante dat het appelverbod moet worden doorbroken, omdat in de uitspraak op verzet een materieel inhoudelijk oordeel is gegeven, volgt de Raad niet. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling van de zaak (dat wil zeggen: met een onderzoek ter zitting) nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient de rechter het verzet immers te beoordelen met inachtneming van die argumenten.<footnote-ref linkend="_e6b50398-6a23-4356-8f58-a11e46d6a5bb" /> De omstandigheid dat appellante zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank is op zichzelf geen grond voor een doorbreking van het appelverbod.<footnote-ref linkend="_4ac945ba-805b-4e41-a08a-196fb7519ade" /> Ook een eventuele onjuiste inhoudelijke beoordeling door de rechtbank is dat niet.<footnote-ref linkend="_5a63e4ba-95a9-4998-ae95-b99b6393e1dc" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank niet getreden buiten de reikwijdte van de bevoegdheid waarvan de aanwending van hoger beroep is uitgezonderd.<footnote-ref linkend="_bc76db84-304f-4dc0-a302-1a970b73f1ca" /> De Raad acht hierbij van belang dat het aan de uitspraak van 14 september 2023 ten grondslag liggende geschil geen feitelijke of juridische vragen oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen. Ook zijn die vragen niet van zodanige aard dat het beroep evident niet vereenvoudigd behandeld kan worden. Er bestaat ook daarom geen grond voor doorbreking van het appelverbod. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande dient de Raad zich onbevoegd te verklaren.</para>
        <para>5.	Voor vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>(getekend) L.M. Tobé </title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para> (getekend) F.M. Gerritsen </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_01f63fa8-7a24-4416-82cd-0479151532f8" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 30 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BP1547 en 5 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2041.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6b50398-6a23-4356-8f58-a11e46d6a5bb" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ac945ba-805b-4e41-a08a-196fb7519ade" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 29 juni 202l, ECLI:NL:CRVB:2021:1534.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a63e4ba-95a9-4998-ae95-b99b6393e1dc" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2041.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc76db84-304f-4dc0-a302-1a970b73f1ca" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 5 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2041.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>