<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2026:179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T14:57:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/168 WSF</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:179">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T16:08:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2026:179 Centrale Raad van Beroep , 19-02-2026 / 25/168 WSF</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2026:179:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoogte aanvullende beurs juist vastgesteld. Verzoek verlegging peiljaar van 2021 naar 2022. Vernietiging bestreden besluit van 15 februari 2023 vanwege een verkeerde berekening maar de rechtsgevolgen blijven in stand. In de brief van 4 januari 2023 is de juiste berekening met peiljaar 2022 toegevoegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2026:179:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>25/168 WSF</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2024, 23/1639 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 19 februari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">SAMENVATTING</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat enkel over procedurele aspecten van de aangevallen uitspraak. De Raad volgt appellant er niet in dat rechtbank ten onrechte de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Verder oordeelt de Raad dat uit artikel 8:69 en artikel 8:77 van de Awb niet volgt dat de rechtbank op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De rechtbank heeft terecht geen vergoeding voor proceskosten in beroep toegekend, nu appellant geen onderbouwd verzoek daartoe uiterlijk op de zitting bij de rechtbank heeft ingediend. Appellant krijgt dus geen gelijk. Appellant krijgt ook geen schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft [naam] , moeder van appellant, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nadere stuk ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met een besluit van 19 oktober 2022 heeft de minister de aanvullende beurs voor appellant over het jaar 2023 vastgesteld op de in dat besluit genoemde bedragen. Voor de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs is de minister uitgegaan van het inkomen van de ouders van appellant in het peiljaar 2021. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met een besluit van 15 december 2022 heeft de minister de aanvullende beurs over het jaar 2023 opnieuw berekend en verhoogd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De minister heeft hierna een verzoek van appellant ontvangen om het peiljaar voor het bepalen van het inkomen van de ouders van appellant te verleggen naar 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Aan dit verzoek is uitvoering gegeven met een besluit van 20 december 2022. Daarbij is de aanvullende beurs voor appellant over het jaar 2023 opnieuw berekend, uitgaande van het inkomen van beide ouders in het (verlegde) peiljaar 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij brief van 4 januari 2023 heeft de minister appellant medegedeeld dat zijn bezwaar van rechtswege gericht is tegen het nieuwe besluit van 20 december 2022, nu hiermee het besluit van 19 oktober 2022 is vervangen. In de bijlage bij deze brief heeft de minister een berekening opgenomen van de hoogte van de aanvullende beurs voor het jaar 2023, uitgaande van het inkomen van de ouders in peiljaar 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Met een besluit van 15 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Daarbij is een veroordeling uitgesproken tot vergoeding van het griffierecht van appellant. Appellant heeft geen proceskosten die vergoed kunnen worden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat de minister als bijlage bij het bestreden besluit een verkeerde berekeningstabel had gevoegd, uitgaande van het peiljaar 2021 voor het inkomen van de ouders, terwijl het peiljaar naar 2022 was verlegd. Het bestreden besluit is daarom volgens de rechtbank gebrekkig gemotiveerd. Omdat appellant bij brief van 4 januari 2023 wel in kennis is gesteld van de juiste berekeningstabel, met als peiljaar 2022, heeft de rechtbank de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de hoogte van de aanvullende beurs over 2023 op juiste wijze is vastgesteld. Dat heeft de rechtbank gemotiveerd onderbouwd met een eigen berekening van de aanvullende beurs.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van appellant</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en de verdragsbepaling die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten, omdat de inhoudelijke beoordeling in het bestreden besluit volgens hem onjuist is en onvoldoende gemotiveerd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt al niet omdat appellant niet heeft toegelicht waarom het bestreden besluit gebrekkig zou zijn en de rechtsgevolgen daarom niet in stand kunnen blijven. Daaraan wordt toegevoegd dat de rechtbank in overweging 7.5 van de aangevallen uitspraak de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs heeft nagelopen en juist bevonden. Appellant heeft de berekening in hoger beroep niet ter discussie gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte beroepsgronden onbesproken heeft gelaten dan wel heeft verzuimd ambtshalve aan te vullen, in strijd met artikel 8:69 van de Awb.<footnote-ref linkend="_09571d78-9715-4953-a1e6-efec429af5e5" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt al niet omdat appellant niet heeft toegelicht welke gronden door de rechtbank onbesproken zijn gelaten dan wel waarin de rechtbank tekort is geschoten ten aanzien van het ambtshalve aanvullen van de gronden. De Raad voegt daaraan toe dat volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_363c4c2f-d962-4ba8-a07e-b3ff9864e5d0" /> uit artikel 8:69 en artikel 8:77 van de Awb niet volgt dat de rechtbank op alle door een belanghebbende aangevoerde gronden afzonderlijk hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern daarvan. De Raad is overigens van oordeel dat de rechtbank de (kern van de) gronden van appellant adequaat heeft besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding, waaronder reiskosten, heeft toegekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.6.1.</nr>
        <para>Indien het beroep gegrond wordt verklaard, kent de bestuursrechter in de regel ambtshalve een vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe. Ter verkrijging van een vergoeding van overige kosten van de procedure, zoals reiskosten, moet een partij een onderbouwd verzoek in dienen. Dat verzoek moet uiterlijk ter zitting worden gedaan.<footnote-ref linkend="_5177aac3-a1fb-49bc-acc4-268440bd4733" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.2.</nr>
        <para>Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in deze zaak geen sprake, zodat de rechtbank niet ambtshalve tot vergoeding voor de kosten daarvan had moeten besluiten. Uit het dossier blijkt verder niet dat appellant uiterlijk ter zitting bij de rechtbank een onderbouwd verzoek heeft ingediend tot vergoeding van reiskosten en overige kosten. De rechtbank heeft daarom terecht geen vergoeding toegekend voor die kosten.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Appellant heeft ten slotte gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.<footnote-ref linkend="_86d29a74-ed5c-4535-8de8-18edf79a1252" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016<emphasis role="italic">.</emphasis><footnote-ref linkend="_f1a5ead7-c0fd-403b-8acb-7412ea150ca7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Het bezwaarschrift is ontvangen op 28 november 2022. Gelet op de datum van deze uitspraak betekent dit dat nog geen vier jaar is verstreken voordat uitspraak is gedaan. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval van een andere lengte moet worden uitgegaan dan vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Daarnaast wordt het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;</para>
    <para>- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>(getekend) A. Hoogenboom</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para> (getekend) M. Dafir</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene wet bestuursrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 8:69</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.</para>
    <para>2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.</para>
    <para>3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 8:77</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De schriftelijke uitspraak vermeldt:</para>
    <para>(..)</para>
    <para>b. de gronden van de beslissing,</para>
    <para>c. de beslissing,</para>
    <para>(..)</para>
    <para>2. Indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.</para>
    <para>(..)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 6</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.</para>
    <para>(..)</para>
  </section>
  <footnote id="_09571d78-9715-4953-a1e6-efec429af5e5" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_363c4c2f-d962-4ba8-a07e-b3ff9864e5d0" label="2">
    <para> Uitspraken van de Raad van 14 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1759 en van 19 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4319.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5177aac3-a1fb-49bc-acc4-268440bd4733" label="3">
    <para> Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2338 en van 15 april 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:1253.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86d29a74-ed5c-4535-8de8-18edf79a1252" label="4">
    <para> Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1a5ead7-c0fd-403b-8acb-7412ea150ca7" label="5">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en ECLI:NL:HR:2016:252.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>