<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2026:14</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T13:41:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/2306 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:14">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:14</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T12:03:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2026:14 Centrale Raad van Beroep , 13-01-2026 / 24/2306 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2026:14:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep omdat het college met het besluit van 17 februari 2025 gedeeltelijk aan appellant is tegemoetgekomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2026:14:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 6 januari 2026</para>
      <para>24/2306 PW</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van <?linebreak?>30 augustus 2024, 23/5443</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, waarbij, voor zover hier van belang, een besluit van het college van<?linebreak?>6juni 2023 tot terugvordering van bijstand van appellant in stand is gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een brief van 4 april 2025 heeft mr. Van Dijk namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, onder verwijzing naar een besluit van het college van 17 februari 2025. In dit besluit heeft het college, nadat appellant met een hiertoe gedaan voorstel akkoord was gegaan, de als gevolg van het besluit van<?linebreak?>6juni 2023 openstaande schuld van appellant gehalveerd tot een bedrag van € 8.820,-. Verder is bepaald dat dit bedrag uiterlijk 30 april 2025 moet worden betaald en dat na ontvangst van dat bedrag het restant van de vordering buiten invordering wordt gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een veroordeling in de proceskosten niet op zijn plaats is, omdat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het college heeft dit standpunt als volgt toegelicht. Het besluit tot terugvordering is niet herzien of ingetrokken wegens onrechtmatigheid. Het college heeft, ter voorkoming van een langdurige afhandeling en om appellant niet onnodig in onzekerheid te laten, gebruik gemaakt van de beleidsruimte om een deel van de schuld af te kopen. Dit betreft een coulancegebaar en geen erkenning van onjuistheid van het oorspronkelijke besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad deelt het standpunt van het college niet en overweegt hiertoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de noodzaak om van een rechtsmiddel gebruik te maken uitsluitend was te wijten aan de handelwijze van betrokkene zelf. Het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoetgekomen, levert in beginsel een dergelijke bijzondere omstandigheid niet op.<footnote-ref linkend="_ff7d504f-1900-4a03-a894-a6c12b2ac1aa" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Duidelijk is dat het college met het besluit van 17 februari 2025 gedeeltelijk aan appellant is tegemoetgekomen. De stelling dat dit besluit een coulancegebaar betreft en geen erkenning inhoudt van de onjuistheid van het besluit van 6 juni 2023, maakt dit niet anders en levert ook geen bijzondere omstandigheid op als bedoeld in de hiervoor genoemde vaste rechtspraak. Hieraan wordt nog toegevoegd dat gesteld noch gebleken is dat het college het al dan niet vergoeden van proceskosten heeft betrokken in het door appellant aanvaarde voorstel dat tot het besluit van 17 februari 2025 heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet aanleiding het college, overeenkomstig het door appellant ingediende ‘Formulier proceskosten’, te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) E.J.M. Heijs</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) A. Giesen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ff7d504f-1900-4a03-a894-a6c12b2ac1aa" label="1">
    <para>Vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>