<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2025:993</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-04T15:06:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/3302 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:993">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:993</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-07T14:03:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2025:993 Centrale Raad van Beroep , 17-06-2025 / 23/3302 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2025:993:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep niet-ontvankelijk. Ontbreken procesbelang. Verlening tijdelijke ontheffing. Appellante heeft aangevoerd dat zij in aanmerking komt voor een ontheffing voor de duur van twee jaar. De Raad stelt vast dat die termijn van twee jaar inmiddels al zou zijn verstreken, namelijk op 28 december 2024. Sinds 28 december 2023 is er verder niets is gebeurd en is geen maatregel aan appellante opgelegd. Voor de inmiddels verstreken periode van 28 december 2022 tot en met 28 december 2024 kan de uitkomst van een medisch onderzoek niet relevant meer zijn, zodat ook hierin geen belang is gelegen. Thans bestaat onvoldoende actueel belang om het hoger beroep ontvankelijk te achten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2025:993:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>23</nr>3302 PW-PV</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2023, 23/5689 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (dagelijks bestuur)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 17 juni 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: J.J. Janssen</para>
      <para>Griffier: F. Sporrel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft het hoger beroep van appellante behandeld op een zitting van 17 juni 2025. Voor appellante is mr. N. Talhaoui, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J. de Wit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in deze zaak om het volgende. Appellante heeft op 29 december 2022 het dagelijks bestuur verzocht om haar ontheffing te verlenen van de verplichtingen in artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet (PW) vanwege haar medische beperkingen en klachten. Met een besluit van 30 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2023 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur appellante met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de PW voor de periode van 28 december 2022 tot en met 28 december 2023 ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen en de verplichting tot tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de PW. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante voert aan, net als in beroep, dat het dagelijks bestuur niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom een ontheffing voor de duur van één jaar passend is gelet op haar klachten en beperkingen. Een ontheffing van twee jaar acht appellante passend, mede omdat haar klachten al jaren voortduren en zijn toegenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van de Raad is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft aangevoerd dat zij in aanmerking komt voor een ontheffing voor de duur van twee jaar. De Raad stelt vast dat die termijn van twee jaar inmiddels al zou zijn verstreken, namelijk op 28 december 2024. Gevraagd naar de actuele situatie heeft het dagelijks bestuur ter zitting meegedeeld dat sinds 28 december 2023 verder niets is gebeurd en geen maatregel aan appellante is opgelegd in verband met het niet of onvoldoende voldoen aan de van toepassing zijnde verplichtingen. Dit is niet betwist. Op de vraag wat dan nog het procesbelang van appellante is, heeft de gemachtigde van appellante geantwoord dat het dagelijks bestuur zijn beslissing had moeten baseren op een medisch onderzoek. Dit is onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Voor de inmiddels verstreken periode van 28 december 2022 tot en met 28 december 2024 kan de uitkomst van een medisch onderzoek niet relevant meer zijn. Het procesbelang van appellante kan uitsluitend betrekking hebben op toekomstige beslissingen van het dagelijks bestuur over de (ontheffing van de) verplichtingen die de rechter in deze procedure niet in de beoordeling kan betrekken. Tegen een eventueel toekomstig nadelig besluit over de (ontheffing van de) verplichtingen zal appellante te zijner tijd langs de normale weg bezwaar en beroep kunnen instellen. Die toekomstige situatie zal worden beoordeeld aan de hand van de zich dan voordoende feitelijke situatie. Thans bestaat onvoldoende actueel belang om het bij de Raad ingestelde hoger beroep ontvankelijk te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) F. Sporrel	(getekend) J.J. Janssen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>