<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2025:872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-17T12:02:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/654 WMO15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:872">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-13T12:41:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2025:872 Centrale Raad van Beroep , 28-05-2025 / 23/654 WMO15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2025:872:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard. Terecht geen kosten in bezwaar heeft toegekend. Geen sprake van het geheel of gedeeltelijk herroepen van het primaire besluit wegens een aan het CAK te wijten onrechtmatigheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2025:872:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>23/654 WMO15 </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van </para>
      <para>13 januari 2023, 21/4280 (aangevallen uitspraak) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het CAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 28 mei 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">SAMENVATTING</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak gaat het om de vraag of het besluit, waarbij de bijdrage voor een maatwerkvoorziening op grond van Wmo 2015 is vastgesteld, is ingetrokken wegens een aan het CAK te wijten onrechtmatigheid en appellant daarom recht heeft op een vergoeding van de kosten in bezwaar. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 april 2025. Voor appellant is mr. Sprakel verschenen. Het CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Remmerswaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para> Met een besluit van 6 mei 2021 heeft het CAK de bijdrage in verband met het</para>
        <para>ontvangen van zorg in een instelling op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) met ingang van 1 mei 2021 vastgesteld op € 335,58 per maand. Om de bijdrage voor 2021 te berekenen zijn de inkomensgegevens van appellant van 2019 gebruikt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat zijn inkomen inmiddels een stuk lager ligt dan in 2019. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met een besluit van 7 augustus 2021 heeft het CAK de bijdrage per 1 mei 2021 vastgesteld op € 0,- per maand. Om de bijdrage te berekenen zijn de inkomensgegevens van appellant van 2021 gebruikt. Met een besluit van 12 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 mei 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 7 augustus 2021. Voor zover het bezwaar mede is gericht tegen het besluit van 7 augustus 2021, heeft het CAK het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft beoordeeld of het CAK appellant terecht geen kosten in bezwaar heeft toegekend, terwijl het CAK het besluit van 6 mei 2021 heeft ingetrokken na het bezwaar. Het CAK heeft het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2021 tevens opgevat als een aanvraag in de zin van artikel 3.13, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, wat heeft geleid tot het besluit van 7 augustus 2021. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee geen sprake van het geheel of gedeeltelijk herroepen van het primaire besluit wegens een aan het CAK te wijten onrechtmatigheid. Het besluit van 6 mei 2021 is namelijk juist, omdat op grond van artikel 3.13, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit (naar de Raad begrijpt: samenhang met artikel 1.1, van dit Uitvoeringsbesluit) moest worden uitgegaan van een peiljaar van twee jaar terug, dus in dit geval 2019. Van tegemoetkomen aan het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2021 wegens een aan het CAK te wijten onrechtmatigheid is dus geen sprake. Weliswaar is de rechtbank het met appellant eens dat het beter was geweest als het CAK de twee procedures (het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2021 en het verzoek om peiljaarverlegging) uit elkaar had gehouden en apart had behandeld, maar dat het CAK zo heeft gehandeld als het heeft gedaan, maakt nog niet dat gesproken kan worden van een onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee is gegeven dat het CAK het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar terecht heeft afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van appellant </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Wat appellant heeft aangevoerd is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de hiervoor weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, en neemt deze overwegingen over. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Dat het CAK naar aanleiding van nieuwe informatie van appellant in bezwaar een andere bijdrage heeft vastgesteld, betekent niet dat het bestuursorgaan de verantwoordelijkheid moet dragen voor de proceskosten. Het criterium is namelijk dat sprake moet zijn van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Omdat het besluit van 6 mei 2021 is genomen op grond van artikel 3.13, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de bijdrage daarin juist was vastgesteld, is daar geen sprake van.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op vergoeding van de kosten in bezwaar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overschrijding redelijke termijn</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In dit geval heeft appellant op 7 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 6 mei 2021. Op het moment van de uitspraak van de Raad is de in dit geval voor de totale procedure in acht te nemen redelijke termijn van vier jaar met enkele weken overschreden. Bij besluit van 7 augustus 2021 is het college in de hoofdzaak echter reeds volledig aan het bezwaar van appellant tegemoet gekomen. Vanaf dat moment had de procedure nog slechts betrekking op een (geringe) nevenvordering. De Raad volstaat daarom met constatering van overschrijding van de redelijke termijn.<footnote-ref linkend="_17448e55-e804-4fbe-a47d-29647a06dc14" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Omdat het hoger beroep niet slaagt en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als voorzitter en K.H. Sanders en D.A. Verburg als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) S. Ploum</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Algemene wet bestuursrecht </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 7:15</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_17448e55-e804-4fbe-a47d-29647a06dc14" label="1">
    <para> Vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2025, ECLI:NL:HR:2024:853.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>