<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2025:1479</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-09T07:15:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1057 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:1479">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:1479</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-08T12:22:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2025:1479 Centrale Raad van Beroep , 07-10-2025 / 24/1057 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2025:1479:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.  Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2025:1479:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 7 oktober 2025</para>
      <para>24/1057 PW</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van <?linebreak?>29 maart 2024, 23/5863</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het op 2 mei 2024 ingediende beroepschrift bevat geen gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van appellanten heeft via e-mailbericht van 17 juli 2024 laten weten tot op die dag nog geen herstel verzuim brief voor de gronden van het hoger beroep te hebben ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van deze e-mail heeft de Raad diezelfde dag telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van appellanten en laten weten dat de brief spoedig verzonden zal worden. Voorts is de gemachtigde van appellanten bij brief van 17 juli 2024 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken de gronden voor het hoger beroep in te dienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van appellanten heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij aangetekende brief van 27 augustus 2024 is aan de gemachtigde van appellanten nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van appellanten heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mailbericht van 14 september 2024 heeft de gemachtigde van appellanten laten weten nog steeds geen herstel verzuim brief te hebben ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangetekende brief van 27 augustus 2024 is op 16 september 2024 bij de Raad retour binnengekomen met de mededeling dat deze niet is afgehaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 2 oktober 2024 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen de Raad en de gemachtigde van appellanten. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de gemachtigde bij<?linebreak?>e-mailberichtenvan 2 oktober en 23 oktober 2024, alsmede bij brieven van 25 december 2024 en 26 maart 2025, de Raad naar de stand van zaken gevraagd aangezien gemachtigde nog steeds geen herstel verzuim brieven heeft ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het verzoek van gemachtigde van 26 maart 2025 heeft de Raad op 27 juni 2025, zowel per post als per e-mail, alle bewijzen opgestuurd waaruit blijkt dat de brief van de Raad van 27 augustus 2024 per post op het kantoor van gemachtigde is bezorgd, dan wel niet is afgehaald. Het betreft stukken van PostNL inhoudende de zendingsgegevens, verzendstatus en verzendstatusinformatie van het pakket.</para>
      <para>De Raad heeft vervolgens niets meer van de gemachtigde van appellanten vernomen. Het hogerberoepschrift bevat geen gronden en de termijn voor het indienen van de gronden is niet benut en inmiddels verstreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M. Wolfrat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) A. Giesen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>