<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2025:1177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-20T14:44:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/2286 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:1177">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2025:1177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-07T14:37:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2025:1177 Centrale Raad van Beroep , 29-07-2025 / 23/2286 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2025:1177:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag. Toekenning van bijstand. Vermogen. Ingangsdatum. Geen bijzondere omstandigheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schuld aan haar broer daadwerkelijk een lening betreft. Hiervoor bestaat geen objectief bewijs. Daarnaast is bij het aangaan van de lening niet gesproken over de termijn en de modaliteiten van terugbetaling, zodat geen sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden is niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Daarnaast bestaat voor het standpunt dat appellante door een medewerker van de gemeente is afgehouden van het indienen van een nieuwe aanvraag geen aanknopingspunten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2025:1177:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para />
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2023, 22/6011 (aangevallen uitspraak 1) en 21 december 2023, 23/5525 (aangevallen uitspraak 2)</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Voorne aan Zee (college)</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 29 juli 2025</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Zitting heeft: P.W. van Straalen</para>
    <para>Griffier: H.Z. Şipal</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 januari 2023 is het college door een gemeentelijke herindeling rechtsopvolger geworden van het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis. Met het college wordt in deze uitspraak dus ook dat college bedoeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.S. Maduro, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.O. Post. Ter zitting zijn [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen gehoord.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <bridgehead role="bold">BESLISSING</bridgehead>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Het gaat enerzijds om een afwijzing van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet. Anderzijds gaat het om de toekenning van bijstand met ingang van de datum melding, zijnde 10 augustus 2022, en daarmee de afwijzing van bijstand per een vóór de datum melding gelegen tijdstip. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat appellante beschikte over een vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen. Het college heeft aan de afwijzing van de terugwerkende kracht ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.</para>
  <para />
  <para>2. De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraken de beroepen van appellante ongegrond verklaard.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Aangevallen uitspraak 1 (afwijzing aanvraag)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3. De Raad stelt vast dat totale banksaldi op de op naam van appellante gestelde bankrekeningen ten tijde van de aanvraag € 33.278,63 bedroegen.</para>
  <para />
  <paragroup>
    <nr>4.1.</nr>
    <para>Het hoger beroep komt er in deze zaak op neer dat appellante geen vermogen had boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een schuld van € 26.485,- aan haar broer. Appellante heeft dat bedrag in 2017 bij wijze van geldlening van haar broer ontvangen. Het was de bedoeling om dat bedrag te gebruiken voor de aanschaf van een woning. Deze beroepsgrond slaagt niet en daartoe is het volgende van belang.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft terecht gewezen op vaste rechtspraak dat schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving bij de vaststelling van het vermogen van de betrokkene in aanmerking kunnen worden genomen. Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de schulden bestaan, dat zij tijdens de bijstand (eventueel in termijnen) opeisbaar zijn en dat de schuldeiser de betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Een schuld aan een familielid is in beginsel te beschouwen als een schuld van vrijblijvende aard. Maar de betrokkene heeft de mogelijkheid aannemelijk te maken dat een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestaat. De betrokkene moet dat doen met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn.<footnote-ref linkend="_f5ce57e9-d5a9-4994-bf5f-2f628b0c985c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.3.</nr>
      <para>Appellante is in deze bewijslast niet geslaagd. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de broer appellante met een e-mailbericht van 9 maart 2022 heeft bericht dat hij in verband met financiële problemen het in 2017 aan appellante geleende bedrag van € 26.485,- terug wil ontvangen en ook dat appelante op 6 juni 2022 en 28 juni 2022 een groot deel van dat bedrag naar haar broer heeft overgeschreven, maar daarmee is niet aannemelijk geworden dat in 2017 sprake was van een geldlening. Een in 2017 opgemaakte overeenkomst tot geldlening ontbreekt en ook in de omschrijving bij het bijgeschreven bedrag op het bankafschrift uit 2017 staat niet vermeld dat het om een lening gaat. Voor het standpunt dat appellante het bedrag als lening heeft ontvangen, bestaat geen objectief bewijs. Ook met de verklaringen zoals appellante die heeft overgelegd en zoals die ter zitting door de broer en de zus van appellante zijn afgelegd, is niet aannemelijk geworden dat een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond. De broer en de zus hebben verklaard dat het bedrag destijds met een bepaald doel is geleend, maar niet aannemelijk is geworden dat destijds is gesproken over een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het tegendeel volgt uit de verklaring van de broer ter zitting. Hij heeft verklaard dat hierover niet is gesproken. Nu bij het aangaan van de lening niet is gesproken over de termijn en de modaliteiten van terugbetaling, is geen sprake van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aangevallen uitspraak 2 (ingangsdatum toekenning bijstand)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </paragroup>
  <paragroup>
    <nr>4.2.</nr>
    <para>Het hoger beroep in de tweede zaak richt zich tegen de ingangsdatum van de toegekende bijstand. Appellante wenst bijstand met ingang van 29 juni 2022 te ontvangen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.2.1.</nr>
      <para>In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld of een aanvraag om bijstand heeft ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Zoals vaker overwogen<footnote-ref linkend="_544de3c2-df8d-4125-963d-535077e70b7f" /> kunnen zulke omstandigheden zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden.<footnote-ref linkend="_d43da930-91fc-4d63-a30d-3b68586eb750" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.2.</nr>
      <para>Appellante voert aan dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn omdat zij op 29 juni 2022 bijstandbehoevend was en omdat een medewerker van de gemeente appellante had medegedeeld dat indiening van een nieuwe aanvraag niet succesvol zou zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.3.</nr>
      <para>Het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden is niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Dat is vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_25f70280-a585-4282-acfc-feb44d649216" /> Voor het standpunt dat appellante door een medewerker van de gemeente is afgehouden van het indienen van een nieuwe aanvraag, zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. De hoger beroepen slagen dus niet. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag en toekenning van bijstand met ingang van 10 augustus 2022 in stand blijven. Het betekent ook dat appellante geen vergoeding krijgt voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht niet terugkrijgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier					Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) H.Z. Şipal				(getekend) P.W. van Straalen</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </paragroup>
  <footnote id="_f5ce57e9-d5a9-4994-bf5f-2f628b0c985c" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld uitspraken van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6792 en van 3 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1793.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_544de3c2-df8d-4125-963d-535077e70b7f" label="2">
    <para> Zie uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d43da930-91fc-4d63-a30d-3b68586eb750" label="3">
    <para> Zie uitspraak van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25f70280-a585-4282-acfc-feb44d649216" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:772.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>