<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:588</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-30T10:04:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/1435 NIOAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2024/131</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:588">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:588</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-02T15:02:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:588 Centrale Raad van Beroep , 28-03-2024 / 22/1435 NIOAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:588:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ingangsdatum IOAW-uitkering. Het college heeft aan appellante met twee weken terugwerkende kracht een IOAW-uitkering toegekend. Het college hoefde de IOAW-uitkering niet met verdergaande terugwerkende kracht toe te kennen. Appellante had in die periode geen recht op een IOAW-uitkering of bijstand, omdat zij in die periode langer dan vier weken in het buitenland verbleef, en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij verkeerde in behoeftige omstandigheden die alleen verholpen konden worden door middel van bijstandsverlening. Daarom komt de Raad niet toe aan de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat het college met nog meer terugwerkende kracht een IOAW-uitkering of bijstand had moeten toekennen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:588:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>22/1435 NIOAW </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 april 2022, 21/1148 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 28 maart 2024</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">SAMENVATTING</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante verbleef in het buitenland en keerde op 28 juli 2020 terug naar Nederland. Het college heeft met ingang van die datum een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW-uitkering) aan haar toegekend. Appellante is van mening dat er sprake is van bijzondere omstandigheden en zeer dringende redenen waardoor zij daarnaast recht heeft op bijstand over de periode van 30 maart 2020 tot 28 juli 2020. Dit omdat ze door COVID-19 niet eerder naar Nederland kon terugreizen. De Raad komt tot het oordeel dat het college terecht heeft geweigerd bijstand over die eerdere periode toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een besluit van 8 september 2020 heeft het college met ingang van 28 juli 2020 aan appellante een IOAW-uitkering toegekend. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt maar het college is met een besluit van 26 januari 2021 (bestreden besluit) bij de toekenning met ingang van 28 juli 2020 gebleven. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade, in de vorm van wettelijke rente. Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 februari 2024. Partijen zijn niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN </title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante ontving sinds 1 april 2019 een IOAW-uitkering. Naar aanleiding van de melding van appellante dat zij vanaf 15 januari 2020 voor onbekende duur in het buitenland zou gaan verblijven, heeft het college appellante schriftelijk toestemming verleend om van 15 januari 2020 tot en met 12 februari 2020 in het buitenland te verblijven. Daarbij heeft het college vermeld dat de maximale duur van haar verblijf in het buitenland met behoud van uitkering vier weken is. Appellante is op 15 januari 2020 vertrokken naar Ghana en was toen in bezit van een retourticket om op 30 maart 2020 naar Nederland terug te keren. Op 13 februari 2020 is de uitkering van appellante geblokkeerd, omdat zij op dat moment nog niet terug was in Nederland. Bij besluit van 17 februari 2020 heeft het college de IOAW-uitkering van appellante met ingang van 13 februari 2020 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 12 augustus 2020 heeft appellante bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Met het besluit van 8 september 2020 heeft het college aan appellante met ingang van 28 juli 2020 een IOAW-uitkering toegekend. Het college heeft de ingangsdatum eerder dan de datum van aanvraag, namelijk op 28 juli 2020, vastgesteld, omdat appellante na terugkomst uit het buitenland op 28 juli 2020 veertien dagen in quarantaine heeft moeten verblijven en zij niet op de hoogte was dat zij digitaal een aanvraag kon indienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Met het besluit van 26 januari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit 8 september 2020 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er geen aanleiding is om bijstand of een IOAW-uitkering voor 28 juli 2020 te verlenen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die zou moeten leiden tot het met nog meer terugwerkende kracht toekennen van een uitkering. Appellante verbleef toen in het buitenland en was daarom destijds bovendien uitgesloten van recht op bijstand of een IOAW-uitkering. In het geval van appellante zijn er geen zeer dringende redenen aan te wijzen op grond waarvan het college over die periode desondanks bijstand kon verlenen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van appellante</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het college aan haar over de periode vanaf 30 maart 2020 tot 28 juli 2020 ook een IOAW-uitkering of bijstand op grond van PW had moeten toekennen. Wat zij daartoe heeft aangevoerd wordt hierna besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ter beoordeling ligt voor of het college aan appellante over de periode van 30 maart 2020 tot 28 juli 2020 (periode van belang) een IOAW-uitkering of bijstand had moeten toekennen. In het kader van die beoordeling wordt eerst de vraag beantwoord of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in de periode van belang geen recht had op een IOAW-uitkering of bijstand. Alleen als die vraag ontkennend moet worden beantwoord, is vervolgens de vraag aan de orde of er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat het college met nog meer terugwerkende kracht een IOAW-uitkering of bijstand had moeten toekennen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitgesloten van recht op bijstand</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat appellante in de periode van belang al langer dan vier weken in het buitenland verbleef. Dit betekent dat zij op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW en artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW was uitgesloten van het recht op een IOAW-uitkering en bijstand.<footnote-ref linkend="_91dadacd-c1cb-4ea2-9caf-8d6fd4c4b044" /> Appellante stelt zich op het standpunt dat zij gelet op haar leeftijd langer, namelijk dertien weken, in het buitenland mocht verblijven. Voor zover appellante daarmee een beroep doet op artikel 13, vierde lid, van de PW, slaagt dit beroep al niet omdat zij destijds nog niet de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Die zou appellante immers pas bereiken op 19 april 2022.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitzonderingsbepaling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Volgens artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college aan een persoon die op grond van artikel 13 van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Tussen partijen is in geschil of in het geval van appellante sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_9c24013a-e6bb-43ec-9d28-fa70385df8a7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Omdat appellante met haar beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep doet op een uitzondering op de hoofdregel, moet zij aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor bijstandverlening op grond van die bepaling is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_9b54394d-ca10-4ef8-803d-533b0cac2b97" /> Hierin is appellante niet geslaagd. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.4.1.</nr>
        <para>Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij verkeerde in behoeftige omstandigheden die alleen verholpen konden worden door middel van bijstandsverlening. Voor het aannemen van zeer dringende redenen is het niet voldoende dat de betrokkene in behoeftige omstandigheden verkeert – dat geldt immers voor iedereen die aanspraak maakt op bijstand – maar moet het ook zo zijn dat deze omstandigheden op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn en daarom het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Daarvan is in het geval van appellante geen sprake. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellante in de periode van belang in Ghana bij haar familie verbleef en daar kon eten en overnachten. De behoeftige omstandigheden van appellante waren daarmee al op een andere wijze verholpen en bijstandverlening was niet onvermijdelijk. Appellante heeft daartegen niets ingebracht.<footnote-ref linkend="_d807bf3d-1ebc-4b9b-a3f0-0e08689ab1fc" /> Alleen daarom al, zijn er geen dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW die er toe nopen om haar over de periode in geding bijstand te verlenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.2.</nr>
        <para>Het standpunt van appellante dat er sprake is van een noodsituatie omdat zij door COVID-19 niet eerder naar Nederland kon terugreizen en gelet op wat daarover in de Handreiking Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers<footnote-ref linkend="_a3944789-4361-4375-b6af-f368d58734f1" /> is opgenomen, behoeft dan ook geen bespreking meer. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.4.2 is overwogen, komt de Raad niet toe aan de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat het college met nog meer terugwerkende kracht een IOAW-uitkering of bijstand had moeten toekennen. De in het kader van die vraag betrokken stelling van appellante, dat zij door haar verblijf in het buitenland niet in staat was om eerder bijstand aan te vragen, behoeft dan ook geen bespreking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Ook het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel zal niet worden besproken, omdat zij dit in het geheel niet heeft onderbouwd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de IOAW-uitkering met ingang van 28 juli 2020 in stand blijft en appellante geen IOAW-uitkering of bijstand over de periode daarvoor vanaf 30 maart 2020 krijgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Dit brengt mee dat het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.C.E. Marechal</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M. Ramanand</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers </para>
      <para>Geen recht op uitkering heeft de werkloze werknemer die buiten Nederland woont of aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers </para>
      <para>Geen recht op uitkering heeft de werkloze werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 16a, eerste lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers </para>
      <para>Indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, wordt de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de Participatiewet</para>
      <para>Geen recht op bijstand heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13, vierde lid, van de Participatiewet</para>
      <para>In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, geldt voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, een periode van dertien weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet</para>
      <para>Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet</para>
      <para>Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_91dadacd-c1cb-4ea2-9caf-8d6fd4c4b044" label="1">
    <para> Zie voor de betekenis van het begrip “anders dan tijdelijk verblijf” van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOAW de uitspraak van 7 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2319. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c24013a-e6bb-43ec-9d28-fa70385df8a7" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b54394d-ca10-4ef8-803d-533b0cac2b97" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3534 en 13 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2031.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d807bf3d-1ebc-4b9b-a3f0-0e08689ab1fc" label="4">
    <para> Vergelijk ook de uitspraken van 26 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3937, 27 juni 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:1192 en 21 augustus 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:1607.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a3944789-4361-4375-b6af-f368d58734f1" label="5">
    <para> Opgesteld door Stimulansz in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in afstemming met VNG en Divosa, versie 6, van 5 juni 2020.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>