<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-20T13:58:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/2251 WMO15-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:518">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-20T13:53:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:518 Centrale Raad van Beroep , 07-03-2024 / 22/2251 WMO15-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:518:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:518:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>22</nr>2251 WMO15-PV</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 juni 2022, 21/3724 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Westerveld (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 7 maart 2024 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting hebben: A. van Gijzen als voorzitter, K.H. Sanders en M.C. Stoové als leden</para>
      <para>Griffier: M. Dafir</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen ter zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H. Wielsma.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het college heeft aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in opeenvolgende besluiten voor de periode van 5 oktober 2020 tot en met 8 november 2022 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt met een omvang van – laatstelijk – 244 minuten per week in de vorm van zorg in natura. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In het besluit van 20 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning gehandhaafd op 244 minuten per week voor de periode van 5 oktober 2020 tot en met 8 november 2022. Het college heeft aanleiding gezien voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het college heeft op 27 februari 2024 een besluit van 9 augustus 2023 overgelegd, waarin aan appellant voor de periode van 14 augustus 2023 tot en met 13 augustus 2026 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning is verstrekt met een omvang van 150 minuten per week in de vorm van zorg in natura. Volgens het college is er geen sprake meer van procesbelang.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Zoals de Raad eerder heeft overwogen<footnote-ref linkend="_90e0e5cd-f573-424e-ad7b-3fb27331233e" /> is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het geschil betreft de beoordeling van een reeds verstreken periode. Het met terugwerkende kracht toekennen van huishoudelijke ondersteuning in natura is niet mogelijk. Het is niet gesteld of gebleken dat appellant schade heeft geleden. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 6 maart 2024 meegedeeld dat appellant belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep met het oog op een gewenste wijziging van de verstrekte maatwerkvoorziening. De Raad constateert dat er op dit moment nog geen nieuwe melding is gedaan en dat er geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit 9 augustus 2023, waarin de omvang van huishoudelijke hulp is vastgesteld zonder extra tijd in verband met allergieën en met een lagere omvang in tijd dan nu in geschil is. Waarom er toch een toekomstig belang zou zijn, is de Raad niet duidelijk geworden en de gemachtigde van appellant is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen om dat toe te lichten. Daarom vindt de Raad het niet aannemelijk dat er nog toekomstig belang is. Ten slotte heeft het college ter zitting meegedeeld dat bij een nieuwe aanvraag een nieuwe beoordeling zal worden verricht op basis van de dan aan de orde zijnde feiten en omstandigheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellant nog procesbelang heeft. Gelet hierop wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier	De voorzitter van de meervoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) M. Dafir	(getekend) A. van Gijzen</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor eensluidend afschrift</para>
        <para>       de griffier van de</para>
        <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_90e0e5cd-f573-424e-ad7b-3fb27331233e" label="1">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>