<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:493</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-15T13:30:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/2156 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:493">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:493</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-15T13:28:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:493 Centrale Raad van Beroep , 28-02-2024 / 23/2156 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:493:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Derdenbeslag. De Svb heeft met de door de deurwaarder opgegeven beslagvrije voet rekening gehouden en daar het besluit op gebaseerd. De rechtmatigheid van het dwangbevel kan niet door de Svb of de Raad worden beoordeeld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:493:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>23/2156 AOW-PV</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 28 februari 2024 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2023, 22/5855 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zitting heeft: A. Hoogenboom, als lid van de enkelvoudige kamer</para>
    <para>Griffier: R.R. Olde Engberink</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ter zitting van 28 februari 2024 is appellante niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg. </para>
  </parablock>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 4 april 2022 heeft [naam bedrijf] ( [gerechtsdeurwaarders] ) op basis van een dwangbevel van de gemeente Leiden onder de Svb executoriaal derdenbeslag gelegd op het AOW-pensioen dat appellante ontvangt. Daarbij is de Svb bevolen de gelden verschuldigd aan appellante onder zich te houden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met een besluit van 14 april 2022 heeft de Svb appellante meegedeeld dat vanaf april 2022 een bedrag van € 104,49 per maand op haar AOW-pensioen wordt ingehouden. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Svb heeft met een besluit van 3 augustus 2022 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij is overwogen dat alleen mag worden getoetst of de Svb bij de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. De rechtbank is van oordeel dat de Svb dat op een juiste wijze heeft gedaan. Het betoog van appellante dat het beslag onrechtmatig is kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen omdat de rechtmatigheid van het beslag door de bestuursrechter niet mag worden beoordeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van appellante</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de opgelegde dwangsommen en is van mening dat ten onrechte beslag is gelegd. Zij wil dat de ingehouden bedragen aan haar worden terugbetaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het is vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_3145d061-26f5-4aa2-8893-86397fe68316" /> dat bij het uitvoeren van een beslaglegging de Raad alleen kan beoordelen of de Svb binnen de kaders van het beslag is gebleven. Met de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. De Svb heeft met de door de deurwaarder opgegeven beslagvrije voet rekening gehouden en daar het besluit op gebaseerd. De Raad heeft daarin geen onjuistheden aangetroffen. De rechtmatigheid van het dwangbevel kan niet door de Svb of de Raad worden beoordeeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. Dat betekent dat het besluit van de Svb waarmee uitvoering wordt gegeven aan het executoriaal beslag in stand blijft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Appellante krijgt geen vergoeding van haar proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) R.R. Olde Engberink	(getekend) A. Hoogenboom </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_3145d061-26f5-4aa2-8893-86397fe68316" label="1">
    <para> Onder meer de uitspraak van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>