<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:2377</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:14:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/459 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWWB 2025/18</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:2377">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:2377</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-18T15:42:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:2377 Centrale Raad van Beroep , 10-12-2024 / 23/459 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:2377:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking van bijstand. Te lang verblijf in het buitenland. Corona. Geen zeer dringende redenen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode waar het hier om gaat in een acute noodsituatie verkeerde. Het enkele feit dat hij en zijn gezin door een coronabesmetting niet op de geplande terugkeerdatum naar Nederland konden terugkeren, is daarvoor niet voldoende. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Appellant en zijn gezin hebben hulp van familie gehad bij de huisvesting en bij het voorzien in de kosten van levensonderhoud. De wetgever heeft met artikel 16, eerste lid, van de PW niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden van de uitsluitingsgronden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:2377:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>23/459 PW</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 10 december 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 december 2022, 21/5597 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">SAMENVATTING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak gaat het om de intrekking van de bijstand van appellant wegens te lang verblijf in het buitenland. Volgens appellant zijn er in zijn geval zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen over een deel van de periode waarin hij te lang in het buitenland heeft verbleven. Hij krijgt hierin geen gelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. E. Düşünceli, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2024. Voor appellant is mr. Düşünceli verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. de Roder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat bij de beoordeling van het hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant en zijn toenmalige partner (X) ontvingen in de periode waarover deze zaak gaat bijstand op grond van de Participatiewet (PW).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellant heeft het college met een zogeheten ‘Statusformulier Afdeling Zorg en Inkomen’ (Statusformulier), gedagtekend 30 juni 2021 laten weten dat hij op 15 juli 2021 naar het buitenland vertrekt en op 19 augustus 2021 terug is in Nederland. Met een ander Statusformulier, gedagtekend 3 september 2021, heeft appellant het college laten weten dat hij terug is in Nederland en heeft hij gewezen op een positieve COVID-19 test tijdens zijn vakantie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Met een besluit van 8 september 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 oktober 2021 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant en X over de periode van 13 augustus 2021 tot en met 2 september 2021 ingetrokken op de grond dat appellant en X langer dan vier weken in het buitenland hebben verbleven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Set standpunt van appellant</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartoe heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Het oordeel van de Raad </emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitsluiting van het recht op bijstand</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat appellant en X meer dan vier weken in het buitenland hebben verbleven en daarom op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW in de periode van 13 augustus 2021 tot en met 2 september 2021 geen recht op bijstand hadden. Tussen partijen is alleen in geschil of zich zeer dringende redenen voordoen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW op grond waarvan het college over de periode van 20 augustus 2021 tot en met 2 september 2021 toch bijstand had moeten verlenen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitzonderingsbepaling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_d7ff2538-5f18-4121-ab76-605266febb97" /> Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.<footnote-ref linkend="_b8d178da-5c32-449d-bb00-3f2996359b27" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Artikel 16, eerste lid, van de PW betreft een uitzondering op de hoofdregel. Daarom moet de betrokkene aannemelijk maken dat aan de onder 4.2 genoemde voorwaarden is voldaan.<footnote-ref linkend="_fa933abe-c0c9-4661-85b3-9146f6c50ebb" /></para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.3.1.</nr>
        <para>Appellant heeft gesteld dat er in zijn geval sprake is van zeer dringende redenen en heeft die stelling ter zitting, samengevat, als volgt toegelicht. Zijn echtgenote en zijn dochter zijn in het buitenland besmet geraakt met het COVID-19 virus, waardoor het gezin van appellant in quarantaine moest. Door overmacht konden hij en zijn gezin niet eerder dan op 2 september 2021 terugkeren naar Nederland. Ook is hij niet zelfredzaam en heeft de intrekking van bijstand bij hem geleid tot psychische problemen. Hij en zijn gezin waren gedurende het gedwongen langere verblijf in het buitenland niet in staat om zelf in hun levensonderhoud te voorzien. Zij waren afhankelijk van anderen en konden bij een familielid verblijven. Hij heeft geld geleend van zijn broer om eten te kopen. Daarnaast waren er kosten voor elektriciteit in verband met het gebruik van airconditioning. Ook liepen de vaste lasten door. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2.</nr>
        <para>Met wat appellant heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode waar het hier om gaat in een acute noodsituatie verkeerde als bedoeld in 4.2. Het enkele feit dat hij en zijn gezin door een coronabesmetting niet op de geplande terugkeerdatum naar Nederland konden terugkeren, is daarvoor niet voldoende.<footnote-ref linkend="_5a6a5c27-b6da-431e-b4cc-3e2cf6ec19a4" /> Dit geldt ook voor de door appellant gestelde en niet onderbouwde niet-zelfredzaamheid en psychische problemen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.3.</nr>
        <para>Daarnaast heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Tijdens het langer dan geplande verblijf in het buitenland in de relatief korte periode van 20 augustus 2021 tot en met 2 september 2021 hebben appellant en zijn gezin hulp van familie gehad bij de huisvesting en bij het voorzien in de kosten van levensonderhoud. Over de vaste lasten die doorliepen tijdens het langere verblijf in het buitenland heeft appellant tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure verklaard dat hij twee betaaltermijnen van de zorgverkering had gemist en dat hiervoor al een betalingsregeling was getroffen. Dat maakt bijstandsverlening niet onvermijdelijk. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Maatwerk</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Appellant heeft zich verder beroepen op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2021.<footnote-ref linkend="_8fb3a148-3971-42ff-b4e9-36d353cfba83" /> In die zaak had het betrokken college een aantal mogelijke oplossingen bedacht om tegemoet te komen aan personen die als gevolg van de uitbraak van de coronapandemie niet tijdig konden terugkeren naar hun woonplaats. Volgens appellant had het college hem ook tegemoet moeten komen en maatwerk moeten leveren. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.4.1.</nr>
        <para>De Raad heeft met de uitspraak van 27 juni 2023 beslist op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank waarop appellant zich beroept.<footnote-ref linkend="_84cf2be8-469a-46f1-b9e0-2924a08c1d69" /> Zoals de Raad daarin overwoog, heeft de wetgever met artikel 16, eerste lid, van de PW niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden van de uitsluitingsgronden, zoals in dit geval artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW. De uitzonderingsmogelijkheid van artikel 16, eerste lid, van de PW is niet bedoeld om in het algemeen de gevolgen van de coronapandemie op te vangen, in die zin dat bijstand moet worden verleend aan een persoon die daarop geen recht heeft, zonder dat die verkeert in een acute noodsituatie.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand in stand blijft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Appellant krijgt de door hem gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht daarom niet terug.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.F. Claessens en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.J.M. Heijs </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Participatiewet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e</para>
      <para>Degene die een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland heeft geen recht heeft op bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 16, eerste lid</para>
      <para>Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 54, derde lid, tweede volzin</para>
      <para>Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening en intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d7ff2538-5f18-4121-ab76-605266febb97" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8d178da-5c32-449d-bb00-3f2996359b27" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa933abe-c0c9-4661-85b3-9146f6c50ebb" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a6a5c27-b6da-431e-b4cc-3e2cf6ec19a4" label="4">
    <para> Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fb3a148-3971-42ff-b4e9-36d353cfba83" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBMNE:2021:1192.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_84cf2be8-469a-46f1-b9e0-2924a08c1d69" label="6">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2023:1192.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>