<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:1849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-09T16:11:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/72 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1849">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-04T10:42:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:1849 Centrale Raad van Beroep , 02-10-2024 / 23/72 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:1849:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Het bestuursorgaan is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:1849:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 2 oktober 2024</para>
      <para>23/72 WIA </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van</para>
      <para>30 november 2022, 21/1510 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft op 26 maart 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. S. Slijkhuis is niet meer werkzaam bij de Raad. De zaak is overgedragen aan mr. W.R. van der Velde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling ook van toepassing op het hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 maart 2024 aan haar bezwaren is tegemoetgekomen. Appellante heeft verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Proceskosten </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten van rechtsbijstand</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kosten die appellante in verband met de behandeling van haar bezwaar voor rechtsbijstand heeft gemaakt, worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.248,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting op 17 november 2020 met een waarde per punt van € 624,-).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de procedure in beroep en hoger beroep is geen sprake geweest van professionele rechtsbijstand. Appellante heeft in beroep en in hoger beroep zelf geprocedeerd en zich niet laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. De door appellante op het formulier proceskosten vermelde kosten voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de datering van de door appellante ingebrachte betaalbewijzen aan mr. H. Martens, leidt de Raad af dat deze betrekking hebben op de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 9 december 2020 (18/5683 WIA). In die procedure trad mr. Martens op als gemachtigde van appellante. De betalingen aan mr. Martens hebben in ieder geval geen betrekking op de onderhavige procedure. Mr. Martens heeft in deze procedure namelijk niet in beroep en ook niet in hoger beroep opgetreden als gemachtigde van appellante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de betaalopdracht van € 1.000,- op 22 januari 2018 aan “eenvoudigrecht.nl” is niet duidelijk waarvoor deze gedaan is. Vast staat wel dat appellante in deze procedure (in bezwaar, beroep en hoger beroep) niet is bijgestaan of vertegenwoordigd door een gemachtigde van “eenvoudigrecht.nl”. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Reiskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De reiskosten die appellante voor het bijwonen van de zittingen heeft gemaakt komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 63,34 (voor het bijwonen van de hoorzitting op 17 november 2020 in Heerlen), € 3,00 in beroep (voor het bijwonen van de zitting op 9 november 2022 in Rotterdam) en € 28,34 in hoger beroep (voor het bijwonen van de zitting op 9 november 2023 in Utrecht), in totaal € 94,68. De reiskosten worden vergoed op basis van openbaar vervoer tweede klas.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Griffierecht </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.342,68; </para>
    <para>- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) W.R. van der Velde</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) S. Pouw</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>