<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:1647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T10:53:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/315 AOW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1647">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T10:47:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:1647 Centrale Raad van Beroep , 07-08-2024 / 24/315 AOW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:1647:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om herziening van de uitspraak van 18 januari 2022. De rechtbank heeft het verzoek van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Hoger beroep hiertegen is niet mogelijk. De Raad verklaart zich onbevoegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:1647:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>24/315 AOW-PV</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 7 augustus 2024 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2023, 23/2789 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [plaats] , Marokko (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer.</para>
    <para>Griffier: R.R. Olde Engberink.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ter zitting van 7 augustus 2024 is appellante niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.</para>
  </parablock>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart zich onbevoegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 138,- aan appellante terugbetaalt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met een na bezwaar genomen besluit van 2 september 2020 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het terugvorderen van het na het overlijden van haar echtgenoot doorbetaalde AOW-pensioen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep onder toepassing van artikel 8:54 van de Awb<footnote-ref linkend="_144a82b0-b93d-43e3-873b-91d7128552f8" /> niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen gedane verzet is door de rechtbank met toepassing van artikel 8:55, zevende lid, van de Awb bij uitspraak van 18 januari 2022 eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante de verzetstermijn heeft overschreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellante heeft in februari 2023 bij de rechtbank een verzoek ingediend om de uitspraak van 18 januari 2022 te herzien. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aangevallen uitspraak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellante om de eerdere uitspraak te herzien niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante niet binnen de gestelde termijn de gronden heeft ingediend waarop haar verzoek om herziening berust. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van appellante </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellante is het niet eens met de aangevallen uitspraak. Zij heeft de Raad verzocht de uitspraak te vernietigen en haar dossier opnieuw te beoordelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van een uitspraak van de rechtbank waarin het verzoek om herziening betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.<footnote-ref linkend="_488453f6-30c4-4e61-aa5e-1960d8b5180d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Hoger beroep is dus niet mogelijk. De Raad is dan ook onbevoegd om van het door appellante ingestelde hoger beroep kennis te nemen. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier					Het lid van de enkelvoudige kamer </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) R.R. Olde Engberink		(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_144a82b0-b93d-43e3-873b-91d7128552f8" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_488453f6-30c4-4e61-aa5e-1960d8b5180d" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:469.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>