<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:1520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-31T09:33:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/320 WMO15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1520">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-30T17:40:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:1520 Centrale Raad van Beroep , 24-07-2024 / 23/320 WMO15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:1520:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Informatieve brief is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een inhoudelijke beoordeling van wat appellante heeft aangevoerd tegen die brief heeft niet plaatsgevonden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:1520:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>23/320 WMO15</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 24 juli 2024</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december 2022, 22/1282 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college)</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">PROCESVERLOOP</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Raad heeft de zaak eerst behandeld op een zitting van 27 maart 2024. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. d’Accorso.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft de zaak verder behandeld op een zitting van 3 juli 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar begeleider [begeleider]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. d’Accorso.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 5 juli 2021 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aan appellante een maatwerkvoorziening voor vier uur per week individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt voor de periode van 15 maart 2021 tot en met 19 december 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brief van 13 oktober 2021 heeft appellante het college verzocht om deze maatwerkvoorziening te verlengen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Nadat appellante niet was verschenen op een gepland gesprek, heeft het college appellante bij brief van 6 december 2021 geïnformeerd over het te verrichten onderzoek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Appellante heeft als reactie hierop een op 14 december 2021 gedateerde brief naar het college verzonden. Het college heeft deze brief aangemerkt als bezwaarschrift, gericht tegen de brief van 6 december 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij besluit van 10 januari 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar nietontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de brief van 6 december 2021 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief van 6 december 2021 geen besluit is. De brief heeft niets veranderd aan de rechten, verplichtingen of bevoegdheden van appellante, maar bevat – samengevat weergegeven – slechts informatie. De rechtbank is daardoor niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van wat appellante heeft aangevoerd tegen die brief. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van appellante</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte op basis van een verkeerde voorstelling van zaken uitspraak heeft gedaan, zonder dat de gemeente de klachten van appellante heeft behandeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel over de beroepsgronden. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad hieraan het volgende toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Voor zover appellante heeft bedoeld te stellen dat de rechtbank geen uitspraak mocht doen voordat het college door appellante geuite klachten naar genoegen zou hebben behandeld, is voor de juistheid van die stelling in wet- en regelgeving geen grondslag te vinden. Anders dan appellante kennelijk meent, heeft de rechtbank zich niet uitgelaten over de vraag of haar klachten over gedragingen van het college al dan niet doel treffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Appellante krijgt het betaalde griffierecht niet terug.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) D. Hardonk-Prins</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) C.K. Teunissen</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>